Ambiguïteit

[dit artikel komt van njb.nl en is geschreven door Ybo Buruma op 22 februari 2016]

JuristiHet is een moeilijk woord, ambiguïteit. Het komt van het Latijnse ambiguus, wisselend, dubbelzinnig en het Latijnse agere, doen, handelen. Ik kom erop vanwege een uitspraak van de Amerikaanse Supreme Court justice Antonin Scalia die deze week is overleden: “The main business of a lawyer is to take the romance, the mystery, the irony, the ambiguity out of everything he touches”.

 

De man werd door sommigen als een humoristische, scherpzinnige intellectueel beschouwd en door anderen als een rechtse rotzak die zich aan de letter van de wet hield en de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever erbij haalde als het hem uitkwam. Dat heeft niets met ambiguïteit te maken, maar met verschil in waardering.

 

Scalia heeft gelijk voor zover de rechter in een conflict een ondubbelzinnig antwoord moet geven en een advocaat ondubbelzinnig aan de kant van zijn cliënt moet staan. Maar daarmee is niet alles gezegd. De rechter kan ook beslissen dat een verdachte echt een straf verdient, maar dat die straf zo min mogelijk in de weg moet staan aan zijn resocialisatie. In haar mooie, recente Leidse oratie heeft Pauline Schuyt erop gewezen dat het tijd wordt de idee van resocialisatie weer op te poetsen. En de advocaat kan er (al dan niet met zijn cliënt) diep van doordrongen zijn, dat de wanpresterende wederpartij weliswaar moet worden aangesproken, maar dat deze toch liefst als klant behouden blijft. Beide voorbeelden illustreren het belang van in de kern wisselend, dubbelzinnig handelen: ‘nu wel zus, maar met het oog op morgen toch ook zo”. Zo bezien doet een jurist zijn werk slecht als hij de ambiguïteit uit alles wat hij aanraakt haalt. Hij brengt juist een tijdsdimensie in, die anderen in het geweld van het moment vergeten. En die tijdsdimensie levert een dubbelzinnigheid op.

 

Ik zou deze aanvaarding van dubbelzinnigheid ook graag zien in de discussies over de vluchtelingen. Er zijn tegengestelde standpunten bekend over het probleem in abstracto: sommigen vrezen dat Europa en Nederland onder de voet worden gelopen onder meer door mensen die niet voor vervolging en oorlogsgeweld vluchten, anderen wijzen op de realiteit van het oorlogsgeweld in Irak en Syrië. Ook dat heeft niet met ambiguïteit te maken, maar met verschil in standpunt. Laat ik een oordeel dienaangaande voor me houden maar de tijds­dimensie toevoegen: natuurlijk willen we Noord-Afrikaanse would be vluchtelingen onderscheiden van de echte. Maar blijven we naar mensen die hier zijn aangekomen kijken alsof ze misschien niet ‘echte’ vluchtelingen zijn? Ik vrees van wel en ik vrees dat ons brein daarbij een oude streek van ontmenselijking uithaalt – waardoor we niet hoeven te leven met de onzekerheid van ‘misschien een echte vluchteling’. Een voorbeeld daarvan hoorde ik toen ik een lezing aan vluchtelingen gaf en ik vroeg of zij wel eens werden uitgescholden. Een modieus geklede Syrische docente Engels vertelde dat het erg meeviel en dat ze veel vriende­lijkheid ontmoette. Nu had ik dankzij het prachtboek van Rodaan Al Galidi, Hoe ik talent voor het leven kreeg, wel begrepen dat vluchtelingen jegens Nederlanders (dus ook jegens mij) op hun hoede zijn en misschien ook wel moeten zijn. Dus ik vroeg door. Net als Al Galidi gaf ze op onthutsende wijze blijk van begrip voor de moeite die veel Nederlanders met hun komst hebben. Op straat wordt ze wel eens uitgescholden, maar ze haastte zich te zeggen dat het niet vaak gebeurt, en dat het haar dan nauwelijks raakt. Maar wat ze wel erg vond was het volgende. Tijdens een ruzie tussen twee vluchtelingen in opvangcentrum Heumensoord ging een vriend van een van de twee erbij staan om de kemphanen te sussen. Er kwam een bewaker en die zei dat de vriend moest oprotten. De charmante vrouw wendde zich tot hem en zei dat het gebruikelijk is in Syrië dat bij ruzie een familielid of vriend probeert te bemiddelen. Daarop zei de bewaker: dat doen de beesten ook, maar wij hier in Nederland niet – wegwezen!

 

De vergelijking met de beesten is te idioot voor woorden. Maar de subtekst is dreigend: jullie zijn van een ander soort. Met dergelijke woorden ontdoe je de ander van haar beschermende waardigheid, en laat je merken dat die ander niet tot jouw morele gemeenschap behoort. Dat voelde de vrouw uit Syrië. Het is een heldere benadering. Het is de benadering die de ambiguïteit mist van ‘vandaag weten we niet of je mag blijven, maar zo ja dan ben je morgen welkom”.

Natuurlijk zijn het juristen die een ondubbelzinnig einde kunnen maken aan iemands onzeker­heid omtrent de vluchtelingenstatus. Maar het zijn ook juristen die legitimeren dat er nog even gewacht moet worden – die de ambiguïteit van het bestaan van iemand die in potentie morgen een andere status heeft dan vandaag in stand laten. En het is vast een jurist geweest die beredeneerde dat de vluchtelingen in Heumensoord – omdat ze formeel gezien nog geen asielzoeker zouden zijn – geen € 12,95 per week aan leefgeld hoeven te krijgen. Het is het type jurist dat niet wil vooruitlopen op de zaken. Hij vergeet dat er steeds ambiguïteit is, of je kiest voor ‘we behandelen je op een wijze waarop we zelf behandeld zouden willen worden, maar als je geen vluchteling bent sturen we je weg’ dan wel voor ‘we behandelen je als bedrieger, maar als je dat niet bent mag je blijven’.

 

Anders dan Scalia geloof ik niet dat het het belangrijkst is dat de jurist steeds de ambiguïteit van een situatie waarmee hij van doen heeft opheft, maar dat hij ook in staat is een kwalificatie te geven die van toepassing is als latere (of later bekende) gegevens niet dwingen tot een andere kwalificatie.

Dit Vooraf is ook gepubliceerd in NJB 2016/396, afl. 8.