ECLI:NL:CBB:2019:107, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 12-03-2019, 18/2853 — CBB:2019:107
Samenvatting
Wet Wegvervoer Goederen (WWG) Besluit tot intrekking communautaire vergunning. Bibob-advies. Verweerder heeft aan het bestreden besluit tot intrekking van de aan appellante verleende communautaire vergunning het op zijn verzoek door het LBB opgemaakte Bibob-advies ten grondslag gelegd. Het College stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak een bestuursorgaan, gelet op de bijzondere expertise van het LBB, in beginsel van het advies van het LBB mag uitgaan. Op grond van het Bibob-advies moet worden aangenomen dat ernstig gevaar bestaat dat de communautaire vergunning door appellante mede zal worden gebruikt om uit door X gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (de a-grond) en om strafbare feiten te plegen (de b-grond). De beroepsgrond dat de beweerdelijk door X gepleegde strafbare feiten vrij oud zijn, dat niet vaststaat dat X daarvoor zal worden veroordeeld en dat deze daarom buiten beschouwing moeten blijven, slaagt niet. De op grond van het Bibob-advies aanwezig geachte relatie van appellante met de strafbare feiten bestaat uit een zakelijk samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob tussen X en appellante. De beroepsgrond dat er sinds het Bibob-advies geen sprake meer is van een zakelijk samenwerkingsverband, slaagt niet. Tussen X en appellante heeft een langdurig samenwerkingsverband bestaan die pas na het verschijnen van het Bibob-advies is beëindigd door het uitschrijven van X uit het handelsregister van de KvK als gevolmachtigde van appellante. Dat appellante haar zaken op orde heeft en dat haar in strafrechtelijk opzicht niets is te verwijten, doet geen afbreuk aan de relatie met X. Het College acht het risico reëel dat het samenwerkingsverband herleeft na vergunningverlening, gezien de huidige zakelijke positie van X en zijn (zijdelingse) betrokkenheid bij de zakelijke activiteiten van verschillende naaste familieleden. Daarbij wijst het College erop dat artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, van de Wet Bibob ook ziet op een eerder en inmiddels beëindigd zakelijk samenwerkingsverband. Een aanvullend advies van het LBB in verband met de wijzigingen bij appellante was niet nodig om tot verantwoorde besluitvorming te komen. Het College onderschrijft niet het betoog van appellante dat in dit geval intrekking niet evenredig is. Het College ziet ten slotte geen grond voor het oordeel dat verweerder bij zijn besluitvorming vooringenomen en/of in strijd met het verbod van willekeur heeft gehandeld.
Betrokken advocaten
mr. A.A.M. Dijkman
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2026:620, Raad van State, 04-02-2026, 202404118/1/A3
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBNHO:2025:15827, Rechtbank Noord-Holland, 12-12-2025, 15-227260-24
Rechtbank Noord-Holland · Strafrecht
ECLI:NL:CBB:2025:444, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 27-08-2025, 25/469
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:15847, Rechtbank Den Haag, 13-08-2025, C/09/675271 / HA ZA 24-957
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
12 maart 2019
Rechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
18/2853
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:CBB:2019:107