ECLI:NL:CBB:2022:674, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 27-09-2022, 20/1033 — CBB:2022:674
Samenvatting
Beroep ongegrond. Verweerder heeft de subsidieaanvraag van appellante terecht afgewezen, aangezien er niet werd voldaan aan de eisen inzake het stimulerende effect. Artikel 12 van het Besluit pelsdierhouderij geeft aan verweerder een gebonden bevoegdheid. Dat betekent dat verweerder de subsidieaanvraag moet afwijzen als zich een weigeringsgrond voordoet die in artikel 12 is opgenomen. Er is geen ruimte voor een belangenafweging en de regelgever heeft geen hardheidsclausule opgenomen. Daaruit volgt dat de specifieke omstandigheden van appellante er niet toe kunnen leiden dat op de aanvraag anders wordt beslist. Dat het vereiste van stimulerend effect tot gevolg heeft dat pelsdierhouders pas kunnen starten met slopen en ombouwen en/of de nieuwe bedrijfsactiviteiten, nadat de aanvraag is ingediend, maakt op zich niet dat dat vereiste in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. De omstandigheid dat appellante niet aan dit vereiste kon voldoen omdat het moment van de start van de activiteiten vast lag, de vergunning later werd verleend dan waar zij in haar plannen rekening mee had gehouden en die vergunning nodig was voor de aanvraag, maakt dit niet anders. Appellante had er bij het maken van de investeringsafspraken rekening mee moeten houden dat een vergunningverleningstraject langer kan duren. Dit komt voor haar rekening en risico. Overigens volgt uit de feiten en de verwachte termijn van vergunningverlening dat appellante de aanvraag op tijd had kunnen indienen om de afspraken na te komen. De stelling van appellante dat zij onder de huidige Regeling pelsdierhouderij haar aanvraag eerder had kunnen indienen kan er niet toe leiden dat geoordeeld moet worden dat de in het Besluit pelsdierhouderij neergelegde weigeringsgronden in strijd met het evenredigheidsbeginsel zijn. Voor zover appellante hiermee beoogd te betogen dat artikel 8, onder f, van de Regeling pelsdierhouderij buiten toepassing moet blijven, kan dat appellante niet baten omdat zij de aanvraag niet eerder heeft ingediend. De regelgever heeft er uitdrukkelijk voor gekozen om deze wijziging niet met terugwerkende kracht in te voeren. De omstandigheid dat appellante geen gebruik meer kan maken van de nadeelcompensatie-regeling, kan appellante niet baten. Appellante heeft immers al de keuze gemaakt om haar bedrijf om te bouwen. Dat zij daarvoor geen subsidie heeft gekregen is een gevolg van omstandigheden die voor haar risico en rekening komen. Geen strijd met het vertrouwensbeginsel, omdat geen sprake is van een toezegging. Naar het oordeel van het College valt niet in te zien hoe appellante de uitnodiging voor het webinar redelijkerwijze had mogen begrijpen als een welbewuste standpuntbepaling inzake het alsnog toekennen van de subsidieaanvraag.
Betrokken advocaten
mr. J.H.L. Verheul-Verkaik
verweerder
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:CBB:2025:647, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 09-12-2025, 24/206
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Bestuursrecht
ECLI:NL:CBB:2024:69, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 06-02-2024, 22/1930
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Bestuursrecht
ECLI:NL:CBB:2024:23, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 16-01-2024, 22/1442, 1448, 1449, 1450, 1451, 1452, 1453, 1454, 1455, 1456, 1457, 1458, 1459 en 22/1673
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Bestuursrecht
ECLI:NL:CBB:2023:50, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 31-01-2023, 22/162
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 september 2022
Rechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
20/1033
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
ECLI
ECLI:NL:CBB:2022:674