ECLI:NL:CBB:2025:388, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 22-07-2025, 21/845 — CBB:2025:388
Samenvatting
Naar het oordeel van het College heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de staatssecretaris bevoegd was om de onderneming een last onder dwangsom op te leggen omdat de onderneming redenen had als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Verordening 178/2002 om aan te nemen dat de levensmiddelen die zij verwerkt of gedistribueerd had niet aan de voedselveiligheidsvoorschriften voldeden. Er is geen sprake van een uitvoerig onderzoek in de zin van artikel 14, zesde lid, van de Verordening 178/2002. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Verder heeft de rechtbank naar het oordeel van het College terecht geoordeeld dat de onderneming artikel 19, eerste, derde en vierde lid, van de Verordening 178/2002 heeft overtreden. Ook heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de onderneming artikel 19, derde lid, van de Verordening 178/2002 opzettelijk heeft overtreden. Het College acht echter de helft van het boetebedrag passend en geboden. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn is het boetebedrag verder verminderd. Het hoger beroep slaagt.
Betrokken advocaten
Jessica Jansen Advocatuur, VENLO
Maverick Advocaten, AMSTERDAM
mr. I. Renkema-Brink
mr. K. Janssens
mr. M. Alipour
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RVS:2026:363, Raad van State, 21-01-2026, 202202980/1/R2
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RVS:2026:362, Raad van State, 21-01-2026, 202202983/1/R2
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:CRVB:2026:75, Centrale Raad van Beroep, 14-01-2026, 24/1907 NOW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RBROT:2026:18, Rechtbank Rotterdam, 07-01-2026, 24/548
Rechtbank Rotterdam · Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
22 juli 2025
Rechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
21/845
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CBB:2025:388