ECLI:NL:CBB:2025:474, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 16-09-2025, 24/88 — CBB:2025:474
Samenvatting
Wet Dieren. Hoger beroep. Boete wegens overtreding bepalingen uit de Transportverordening. Vervoeren van een dier dat niet geschikt was voor transport. Evenredigheid. De minister heeft de vennootschap een boete opgelegd van € 3.000,- omdat de vennootschap een big vervoerde die niet geschikt was voor het voorgenomen transport: de big had een ontstoken tarsaalgewricht. Het sterk verdikte tarsaalgewricht voelde hard en koud aan wat per definitie betekent dat de ontsteking ‘oud’ is (minimaal 24 uur) volgens de toezichthoudend dierenarts. De ontsteking bij de big was dus al vóór het transport aanwezig. Het College is, met de rechtbank, van oordeel dat de minister op grond van het rapport van bevindingen terecht heeft geconstateerd dat de vennootschap de desbetreffende overtreding heeft begaan en dat de minister dus bevoegd was om de boete op te leggen. De vennootschap heeft de constateringen en de conclusies uit het rapport weliswaar betwist, maar zij heeft deze betwisting onvoldoende concreet onderbouwd en zij heeft geen stukken in het geding gebracht die aanleiding geven om aan de juistheid van de constateringen uit het rapport de twijfelen. Hoewel het College de vennootschap volgt in het standpunt dat het tijdsverloop van 6 maanden tussen de inspectie en het opstellen van het rapport substantieel is, is dit enkele feit onvoldoende grond om aan de inhoud van het rapport te twijfelen. Anders dan de vennootschap betoogt, is het rapport van bevindingen geen constructie achteraf, maar de neerslag van bevindingen, documentatie en conclusies van de toezichthoudend dierenarts die toen ter plaatse zijn vastgesteld. Dit heeft ertoe geleid dat hij de chauffeur van de vennootschap – als vervoerder – meteen na afloop van zijn inspectie een rapport heeft aangezegd. Het College ziet, kortom, geen aanleiding om vanwege het tijdsverloop van 6 maanden aan de inhoud van het rapport te twijfelen. Tot slot oordeelt het College dat de hoogte van de opgelegde boete, gezien de aard en ernst van de geconstateerde overtreding en de mate waarin deze aan de vennootschap kan worden verweten, evenredig is. Het College is van oordeel dat de opgelegde boete passend en geboden is. Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.
Betrokken advocaten
Linssen c.s. Advocaten, TILBURG
mr. M.M. de Vries
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBOVE:2026:394, Rechtbank Overijssel, 29-01-2026, 8206291223
Rechtbank Overijssel · Strafrecht; Materieel Strafrecht
ECLI:NL:RBOVE:2026:395, Rechtbank Overijssel, 29-01-2026, 8206286123
Rechtbank Overijssel · Strafrecht; Materieel Strafrecht
ECLI:NL:RBOVE:2026:393, Rechtbank Overijssel, 29-01-2026, 82-062927-23
Rechtbank Overijssel · Strafrecht; Materieel Strafrecht
ECLI:NL:RBGEL:2026:311, Rechtbank Gelderland, 16-01-2026, ARN 25/110
Rechtbank Gelderland · Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Gegevens
Datum uitspraak
16 september 2025
Rechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
24/88
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:CBB:2025:474