Boete illegale FM-zender blijft staan ondanks ontkenning man — CBB:2026:13
handhaving / illegale FM-radiozender / bestuurlijke boete Telecommunicatiewet
Eiser / verzoeker
Appellant (naam geanonimiseerd)
Verweerder / gedaagde
Minister van Economische Zaken
Het hoger beroep is ongegrond verklaard; de boete van € 8.750,- wegens illegaal gebruik van FM-frequentieruimte blijft in stand.
- Radiopeilingen, veldsterktemetingen en GPS-gegevens van de dienstauto zijn voldoende bewijs dat het illegale FM-signaal afkomstig was van de mast op het perceel van appellant.
- Functioneel daderschap: appellant was als huurder verantwoordelijk voor het perceel en had de antennemast kunnen verwijderen maar deed dat niet vóór de overtreding.
- De stelling dat een buurman de illegale uitzending verzorgde werd verworpen: peilmetingen sloten diens mast uit als bron.
- Het beroep op beperkte financiële draagkracht als grond voor matiging van de boete faalde wegens gebrek aan onderbouwing.
- Het hoger beroep richtte zich niet meer tegen de invordering van de dwangsom van €4.500,- omdat die vordering inmiddels was verjaard.
Samenvatting
Een man uit een kleine gemeente werd door de minister van Economische Zaken beboet voor het exploiteren van een illegale FM-radiozender. Toezichthouders van het Agentschap Telecom troffen op 28 september 2021 een antennemast van achttien meter aan op zijn perceel, van waaruit op 94,5 megahertz werd uitgezonden zonder de vereiste vergunning. De man ontkende echter elke betrokkenheid en stelde dat de uitzending van een buurman afkomstig was.
De toezichthouders hadden via radiopeilingen, relatieve veldsterktemetingen en visuele waarnemingen vastgesteld dat het signaal afkomstig was van de antennemast achter het perceel van de man. Ook het RDS-signaal — een soort tekst-ondertiteling bij FM-uitzendingen — vermeldde de naam van een bekende illegale zender. De man beweerde dat camerabeelden zouden aantonen dat de inspecteurs helemaal niet door zijn straat hadden gereden, maar hij leverde deze beelden nooit aan. De minister liet daarop GPS-gegevens van de dienstauto onderzoeken, waaruit bleek dat de toezichthouders wél degelijk rondom zijn perceel hadden gereden en de peilroos consequent naar zijn mast wees.
De man voerde aan dat de uitzending verzorgd was door een buurman, die dezelfde zendernaam gebruikte als het RDS-signaal vermeldde. Die buurman verklaarde echter dat hij zich niet meer kon herinneren of hij die dag had uitgezonden. De rechtbank en later ook het College van Beroep voor het bedrijfsleven achtten het niet aannemelijk dat het signaal van de mast van de buurman afkomstig was. De peilmetingen sloten dat immers uit: het ontvangen signaal was het sterkst ter hoogte van de mast op het eigen perceel.
Belangrijk in deze zaak was het begrip 'functioneel daderschap'. De man hoefde de zender niet zelf te hebben bediend om als overtreder te gelden. Hij was als huurder verantwoordelijk voor het perceel, was op de hoogte van de aanwezigheid van de antennemast en had nagelaten deze te verwijderen voordat de overtreding werd geconstateerd. Dat hij naar eigen zeggen op de dag van de controle niet in Nederland verbleef, deed daar niet aan af.
De man had eerder al een last onder dwangsom opgelegd gekregen met het bevel geen illegale radioapparatuur te gebruiken of aanwezig te hebben. Omdat hij daar niet aan had voldaan, was automatisch een dwangsom van € 4.500,- verbeurd. Inmiddels is de vordering tot betaling van die dwangsom verjaard, zodat dat deel van het geschil in hoger beroep geen rol meer speelde.
De man betoogde ook dat de boete onevenredig hoog was gezien zijn beperkte financiële draagkracht, maar hij onderbouwde die stelling niet met stukken. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelde dat de rechtbank Rotterdam de zaak correct had beoordeeld en verwierp het hoger beroep. De boete van € 8.750,- wegens overtreding van de Telecommunicatiewet blijft daarmee in stand.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBOVE:2026:209, Rechtbank Overijssel, 20-01-2026, 08-249203-25, 08-020538-23 (tul) en 84-368232-24 (tul) (P)
Rechtbank Overijssel · Strafrecht
ECLI:NL:RBOVE:2025:7541, Rechtbank Overijssel, 24-12-2025, 08.320765-24 (P)
Rechtbank Overijssel · Strafrecht
ECLI:NL:RBOVE:2025:7554, Rechtbank Overijssel, 23-12-2025, 08.307202.24 (P)
Rechtbank Overijssel · Strafrecht
ECLI:NL:RBOVE:2025:7614, Rechtbank Overijssel, 22-12-2025, 08.231929.25 en 08.062361.25 (gev.ttz) (P)
Rechtbank Overijssel · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
20 januari 2026
Rechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
23/1474
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CBB:2026:13