Schadevorderingen fosfaatrechten maatschap voor tweede keer afgewezen — CBB:2026:138
fosfaatrechten / fosfaatreductieplan / schadevergoeding bestuursrecht
Eiser / verzoeker
Maatschap [naam 1]
Verweerder / gedaagde
Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Het College wijst het verzoek om schadevergoeding van de maatschap volledig af.
- Onherroepelijke besluiten over heffingen en bonusgeldsommen kunnen niet via een nieuw schadeverzoek opnieuw worden aangevochten
- Onrechtmatigheid van te laag vastgesteld fosfaatrecht staat vast na rechterlijke herroeping in 2020
- Eigen schuld van de maatschap (artikel 6:101 BW) laat de vergoedingsplicht volledig vervallen omdat zij niet reageerde op de servicemelding
- Het verzoek is een herhaling van een eerder verzoek dat al bij uitspraak van 26 maart 2024 is afgewezen
Samenvatting
Een agrarische maatschap probeerde voor de tweede keer via de rechter schadevergoeding te krijgen van de minister van Landbouw, ditmaal wegens opgelegde heffingen en te weinig toegekende fosfaatrechten. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven wees het verzoek opnieuw af.
De maatschap had twee grieven. Ten eerste eiste zij dat de heffingen die haar waren opgelegd op grond van het Fosfaatreductieplan 2017 zouden worden terugbetaald, en dat bonusgeldsommen alsnog zouden worden uitbetaald. Ten tweede stelde zij schade te hebben geleden doordat haar aanvankelijk te weinig fosfaatrechten waren toegekend onder de Meststoffenwet.
Het College had over exact dezelfde verzoeken al eerder geoordeeld, in een uitspraak van 26 maart 2024. De besluiten over de heffingen en bonusgeldsommen zijn destijds na beroep onherroepelijk geworden en moeten daarom als rechtmatig worden beschouwd. Dat betekent dat ze geen grondslag kunnen bieden voor een schadeclaim wegens onrechtmatige daad. De maatschap kan die besluiten niet via een nieuw schadeverzoek opnieuw ter discussie stellen.
Over de te weinig toegekende fosfaatrechten lag de zaak iets anders. Het College had in 2020 het fosfaatrecht van de maatschap verhoogd, waarmee vaststond dat de eerdere, lagere toekenning onrechtmatig was geweest. Toch leidde ook dit niet tot schadevergoeding. De reden: de maatschap had de schade grotendeels zelf kunnen voorkomen. De minister had haar via een zogenoemde servicemelding al vooraf laten weten welk fosfaatrecht hij wilde toekennen en van welke melkproductie hij daarbij uitging. De maatschap kreeg de gelegenheid hierop te reageren, maar deed dat niet. Pas in de beroepsprocedure voerde zij voor het eerst aan dat de minister een onjuiste melkproductie had gehanteerd. Op dat moment kon de minister de fout niet meer herstellen, terwijl hij wel aan zijn onderzoeksplicht had voldaan.
Het College paste daarbij de wettelijke regel toe die bepaalt dat een schadevergoedingsplicht kan worden verminderd of zelfs vervallen als de benadeelde zelf ook heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade. In dit geval oordeelde het College dat de eigen bijdrage van de maatschap aan de schade zo groot was dat de vergoedingsplicht van de minister volledig verviel.
Omdat de maatschap nu precies hetzelfde vroeg als eerder al was afgewezen, wees het College ook dit verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Betrokken advocaten
drs. [naam 2]
eiser
mr. C. Zieleman
verweerder
mr. M. Leegsma
verweerder
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:CBB:2026:36, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 03-02-2026, 23/1391
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBGEL:2026:450, Rechtbank Gelderland, 22-01-2026, ARN 25/521
Rechtbank Gelderland · Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ECLI:NL:RBGEL:2026:454, Rechtbank Gelderland, 22-01-2026, ARN 25/1157
Rechtbank Gelderland · Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ECLI:NL:CBB:2026:12, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 20-01-2026, 24/318
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
7 april 2026
Rechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
25/121
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:CBB:2026:138