Slachterij krijgt boete voor ontsnapt rund, maar termijnoverschrijding leidt tot matiging — CBB:2026:139
bestuursrechtelijke boete / dierenwelzijn / slachthuis / ontsnapping rund / redelijke termijn
Eiser / verzoeker
Slachterij (naam 1)
Verweerder / gedaagde
Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Het hoger beroep is deels gegrond: de boete wordt wegens overschrijding van de redelijke termijn gematigd van €2.500 naar €1.750; de overtreding zelf blijft in stand.
- Ontsnapping van één rund uit de wachtruimte is voldoende voor een overtreding van de verplichting dieren te waarborgen tegen ontsnapping (Verordening 1099/2009).
- Dierenwelzijn was wel degelijk geschaad: het rund moest met politie en verdovingsgeweer worden gevangen en het vlees werd afgekeurd.
- Beroep op overmacht faalt: slachterij onderbouwde niet dat de getroffen voorzieningen voldoende waren, en was eerder al beboet voor ontsnapte runderen.
- De totale procedureduur van ruim zeven jaar overschrijdt de redelijke termijn van vier jaar voor drie instanties, wat leidt tot matiging van de boete.
- Boete gematigd van €2.500 naar €1.750 wegens termijnoverschrijding in de hogerberoepsfase.
Samenvatting
Een slachterij kreeg in 2019 een boete van €2.500 opgelegd nadat een toezichthoudend dierenarts van de NVWA had geconstateerd dat een rund was ontsnapt uit de wachtruimte en door de omheining was gebroken. Het opgewonden dier was zo wild dat zelfs de politie en een dierenarts met een verdovingsgeweer nodig waren om het rund te bedwelmen. Het vlees werd afgekeurd omdat het na de verdoving niet meer geschikt was voor consumptie en het karkas ging naar de destructie.
De slachterij bestreed de boete en voerde aan dat het rund dat in de sloot naast het terrein werd aangetroffen, niet was ontsnapt maar er bewust naartoe was gestuurd om het opgewonden rund te kalmeren. Ook stelde ze dat het dierenwelzijn niet in het geding was geweest, en dat sprake was van overmacht omdat het rund uitzonderlijk wild was.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven verwierp al deze argumenten. Vast stond dat het opgewonden rund zelfstandig uit de wachtruimte was ontsnapt en door de omheining had gebroken — dit werd door de slachterij zelf niet betwist. Dat is een schending van de Europese verordening die slachthuizen verplicht te waarborgen dat dieren niet kunnen ontsnappen. Of ook het rund in de sloot daadwerkelijk was ontsnapt, liet het College in het midden: één ontsnapping was al voldoende om de boete te rechtvaardigen.
Over het dierenwelzijn oordeelde het College dat dit wel degelijk was geschaad. Het rund moest met geweld worden gevangen, kon niet rustig worden teruggeleid en het vlees werd uiteindelijk afgekeurd. De stelling dat het vlees gewoon was gekeurd en de pH-waarde normaal was gebleven, bleek onjuist: de minister verklaarde onweersproken dat het vlees juist wél was afgekeurd.
Het beroep op overmacht slaagde evenmin. De slachterij toonde niet aan dat de getroffen voorzieningen tegen ontsnapping voldoende waren en correct werden gebruikt. Bovendien bleek de slachterij eerder al beboet te zijn voor ontsnapte runderen, waardoor van een eenmalig incident geen sprake was.
Wel werd de slachterij gehoord op het punt van de procedureduur. De zaak sleepte al jaren voort: van het rapport in januari 2019 tot aan de uitspraak van het College in april 2026 verstreek ruim zeven jaar. De redelijke termijn van vier jaar voor drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) was daarmee fors overschreden. Het College stelde vast dat de vertraging grotendeels in de hogerberoepsfase viel en kende de slachterij een vermindering van de boete toe wegens die termijnoverschrijding. De uiteindelijke boete werd gematigd van €2.500 naar €1.750.
Betrokken advocaten
mr. E.M.M. Geerligs
verweerder
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:CBB:2026:24, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 27-01-2026, 23/848
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBROT:2025:14945, Rechtbank Rotterdam, 23-12-2025, ROT 22/5325
Rechtbank Rotterdam · Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
ECLI:NL:RBROT:2025:14946, Rechtbank Rotterdam, 23-12-2025, ROT 21/1550
Rechtbank Rotterdam · Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
ECLI:NL:CBB:2025:641, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 02-12-2025, 22/647
College van Beroep voor het bedrijfsleven · Bestuursrecht
Gegevens
Datum uitspraak
7 april 2026
Rechtsgebied
BestuursrechtZaaknummer
24/393
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CBB:2026:139