Juristi.nl
ECLI:NL:CBB:2026:145Bestuursrecht

Fosfaatrechten maatschap niet verhoogd ondanks schending hoorplicht — CBB:2026:145

fosfaatrechten / herzieningsverzoek / I&R-registratie melkvee

Eiser / verzoeker

Maatschap (agrarisch bedrijf)

VS

Verweerder / gedaagde

Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

Het beroep is gegrond vanwege schending van de hoorplicht, maar het bestreden besluit blijft in stand; de maatschap krijgt uitsluitend het griffierecht vergoed en geen extra fosfaatrechten.

  • Schending hoorplicht: minister had de al geplande hoorzitting niet meer mogen annuleren op grond van kennelijke ongegrondheid
  • Schending hoorplicht gepasseerd op grond van artikel 6:22 Awb omdat maatschap in beroep voldoende gelegenheid had haar standpunt toe te lichten
  • Geen mandaatgebrek: zowel afwijzingsbesluit als beslissing op bezwaar zijn bevoegd genomen op basis van geldige ondermandaatbesluiten
  • Herzieningsverzoek afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden; 25 uitgeschaarde stuks jongvee blijven buiten fosfaatrechtberekening
  • Geen proceskostenvergoeding omdat gemachtigde zijn rechtsbijstandsonderneming vóór indiening beroepschrift had uitgeschreven; alleen griffierecht wordt vergoed

Samenvatting

Een agrarische maatschap probeerde via een herzieningsverzoek meer fosfaatrechten toegekend te krijgen dan de minister eerder had vastgesteld. Het geschil draaide om 25 stuks jongvee die de maatschap in 2015 had uitgeschaard naar een ander bedrijf, maar die daardoor op de peildatum van 2 juli 2015 niet meer op naam van de maatschap stonden geregistreerd in het Identificatie- en Registratiesysteem (I&R-systeem). Dat systeem is bepalend voor de hoogte van de fosfaatrechten.

De maatschap had al meerdere procedures gevoerd. In 2020 had het College van Beroep voor het bedrijfsleven haar fosfaatrecht al iets verhoogd vanwege een te laag ingeschatte melkproductie, maar de 25 uitgeschaarde stuks jongvee bleven buiten beschouwing. De inschaarder — het bedrijf dat de dieren feitelijk hield — weigerde mee te werken aan een overdracht van fosfaatrechten. Nu deed de maatschap opnieuw een verzoek, dat zij omschreef als een 'herstelverzoek' van een foutieve afvoermelding in het I&R-systeem.

De minister wees dit verzoek af, omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een herziening rechtvaardigden. De maatschap tekende bezwaar aan en vroeg om een hoorzitting. Die werd aanvankelijk ingepland, maar kort van tevoren geannuleerd door een medewerker van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Het College oordeelt dat dit een schending van de wettelijke hoorplicht oplevert: zodra een hoorzitting al is gepland, kan de overheid niet meer eenzijdig besluiten die te annuleren op grond van kennelijke ongegrondheid van het bezwaar. Die mogelijkheid had de minister op dat moment al 'verbruikt'.

Toch leidt deze schending niet tot vernietiging van het besluit. Het College past de zogenoemde passeerregeling toe: de maatschap heeft zowel schriftelijk als tijdens de zitting bij het College de gelegenheid gehad haar standpunt uitgebreid toe te lichten, zodat zij niet daadwerkelijk is benadeeld door het missen van de hoorzitting.

De maatschap voerde ook aan dat de besluiten onbevoegd waren genomen. Het College verwerpt dit. Uit de mandaatstructuur bij RVO blijkt dat zowel het afwijzingsbesluit (genomen door de teammanager Vergunningen en Handhaving) als de beslissing op bezwaar (genomen door een senior jurist van de afdeling Juridische Zaken) bevoegd zijn genomen op basis van geldige ondermandaatbesluiten.

Inhoudelijk staat het College opnieuw achter de eerdere oordelen: de 25 stuks jongvee stonden op de peildatum geregistreerd op het bedrijfsnummer van de inschaarder, die als feitelijk houder geldt. De maatschap heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangedragen die een herziening rechtvaardigen. Het herzieningsverzoek voldoet daarmee niet aan de vereisten van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht.

Een bijzondere omstandigheid deed zich voor bij de proceskostenvergoeding: de gemachtigde van de maatschap had zijn onderneming voor rechtsbijstand al vóór het indienen van het beroepschrift uitgeschreven uit het handelsregister. Daarmee was er geen sprake meer van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en heeft de maatschap geen recht op een vergoeding van advocaatkosten. Het beroep wordt weliswaar gegrond verklaard vanwege de schending van de hoorplicht, maar dat leidt alleen tot vergoeding van het betaalde griffierecht — niet tot meer fosfaatrechten.

Betrokken advocaten

mr. C. Zieleman

verweerder

mr. M. Leegsma

verweerder

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

7 april 2026

Rechtsgebied

Bestuursrecht

Zaaknummer

25/104

Procedure

Eerste aanleg - enkelvoudig

ECLI

ECLI:NL:CBB:2026:145

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Slachterij verliest beroep over boete voor vleesbesmetting bij ritueel slachten
College van Beroep voor het bedrijfsleven·7 april 2026
Bestuursrecht
Slachterij krijgt boete voor ontsnapt rund, maar termijnoverschrijding leidt tot matiging
College van Beroep voor het bedrijfsleven·7 april 2026
Bestuursrecht
Boetes British American Tobacco voor festivalsponsor­ing grotendeels gehandhaafd
College van Beroep voor het bedrijfsleven·7 april 2026
Bestuursrecht
Philip Morris verliest hoger beroep over reclame op festivals
College van Beroep voor het bedrijfsleven·7 april 2026
Bestuursrecht
Maatschap verliest beroep over perceelintekening landbouwsteun
College van Beroep voor het bedrijfsleven·7 april 2026
Bestuursrecht