Juristi.nl
ECLI:NL:CBB:2026:147Bestuursrecht

Boete vervoerder blijft na transport ziek biggetje naar slachthuis — CBB:2026:147

Bestuursrechtelijke boete / dierentransport / Wet dieren

Eiser / verzoeker

Transportonderneming (naam niet openbaar)

VS

Verweerder / gedaagde

Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

Het hoger beroep van de onderneming is ongegrond verklaard en de boete van €3.000 voor het vervoeren van een niet-transportwaardig dier blijft in stand.

  • Vervoerder is als normadressaat verantwoordelijk voor de transportwaardigheid van de dieren die hij vervoert, ook als het zieke dier moeilijk zichtbaar was tussen andere dieren.
  • Bevindingen van een NVWA-toezichthouder in een rapport van bevindingen mogen in beginsel als juist worden aangenomen; de onderneming heeft deze niet gemotiveerd betwist.
  • Overschrijding van de wettelijke boetetermijn leidt niet tot matiging van de boete, nu de chauffeur ter plekke al een aanzegging ontving en het bedrijf voldoende feitenmateriaal had om verweer te voeren.
  • Toepassing van artikel 6:22 Awb (passeren van een formeel gebrek) verplicht de rechter niet tot gegrondverklaring van het beroep.
  • De redelijke termijn van artikel 6 EVRM begint te lopen bij het voornemen tot boeteoplegging en was ten tijde van de uitspraak niet overschreden.

Samenvatting

Een transportbedrijf dat een ernstig ziek biggetje naar een slachthuis vervoerde, krijgt een boete van €3.000 niet kwijtgescholden. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven bevestigde de boete die de minister van Landbouw had opgelegd wegens overtreding van de Europese regels voor dierentransport.

Tijdens een inspectie op 27 juli 2021 trof een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) bij een slachthuis een big aan met een ernstige open wond aan de rechter voorpoot. De wond vertoonde necrotisch weefsel, granulatieweefsel en gele wondlekkage — een teken van infectie. Het gewricht was verdikt en er was pusvorming zichtbaar, wat wees op een septische gewrichtsontsteking. Het dier weigerde te bewegen en kon zijn poot niet normaal uitstrekken. De toezichthouder concludeerde dat de wond al minstens enkele dagen voor het transport aanwezig moest zijn geweest, omdat granulatieweefsel minstens één tot twee dagen nodig heeft om te vormen en pusvorming zelfs drie tot vier dagen duurt.

Het transportbedrijf stelde dat de chauffeur de wond niet had gezien, mede omdat het dier tussen andere varkens liep. Dat argument werd door zowel de rechtbank als het College van Beroep verworpen. Als vervoerder rust op het bedrijf de verplichting te controleren welke dieren het transporteert en ervoor te zorgen dat het transport geen pijn of letsel veroorzaakt. Dat het zieke dier minder goed zichtbaar was, vermindert die verantwoordelijkheid niet.

Het transportbedrijf voerde ook aan dat de boete gematigd moest worden omdat de minister de wettelijke termijnen had overschreden bij het opleggen van de boete. Zo duurde het meer dan een jaar voordat de bevindingen officieel aan het bedrijf bekend werden gemaakt. Het bedrijf stelde daardoor geen contra-expertise meer te hebben kunnen laten uitvoeren. Het College verwierp dit argument. De chauffeur was ter plekke al op de hoogte gesteld van de bevindingen en kon zijn werkgever informeren. Bovendien bevatte het uitgebreide rapport van bevindingen voldoende feitenmateriaal om de conclusies van de toezichthouder te betwisten, aldus het College.

Ook het beroep op schending van de redelijke termijn uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens slaagde niet. De rechtbank had eerder vastgesteld dat de redelijke termijn van twee jaar pas begon te lopen op het moment van het voornemen tot boeteoplegging in mei 2022, en dat die termijn ten tijde van de uitspraak nog niet was verstreken. Het College sloot zich daarbij aan.

Het College oordeelde ten slotte dat de rechtbank een formeel gebrek in het besluit van de minister terecht had gepasseerd zonder het beroep gegrond te verklaren — zoals de wet toestaat als niemand door het gebrek is benadeeld. De boete van €3.000 blijft dan ook onverminderd van kracht.

Betrokken advocaten

mr. F.J.M. Kobossen

eiser

De Mul Zegger Advocaten, TWELLO

mr. F. Peters van Neijenhof

verweerder

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

7 april 2026

Rechtsgebied

Bestuursrecht

Zaaknummer

24/540

Procedure

Hoger beroep

ECLI

ECLI:NL:CBB:2026:147

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Slachterij verliest beroep over boete voor vleesbesmetting bij ritueel slachten
College van Beroep voor het bedrijfsleven·7 april 2026
Bestuursrecht
Slachterij krijgt boete voor ontsnapt rund, maar termijnoverschrijding leidt tot matiging
College van Beroep voor het bedrijfsleven·7 april 2026
Bestuursrecht
Boetes British American Tobacco voor festivalsponsor­ing grotendeels gehandhaafd
College van Beroep voor het bedrijfsleven·7 april 2026
Bestuursrecht
Fosfaatrechten maatschap niet verhoogd ondanks schending hoorplicht
College van Beroep voor het bedrijfsleven·7 april 2026
Bestuursrecht
Philip Morris verliest hoger beroep over reclame op festivals
College van Beroep voor het bedrijfsleven·7 april 2026
Bestuursrecht