ECLI:NL:CRVB:2020:2275, Centrale Raad van Beroep, 24-09-2020, 19/3613 AW — CRVB:2020:2275
Samenvatting
De Raad stelt voorop dat de rechtbank in de rechtsoverwegingen van de aangevallen uitspraak bij haar beoordeling van het bestreden besluit de juiste toetsingsmaatstaf heeft aangelegd. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in en door de dienst als bedoeld in artikel 7:3, zevende lid, van de ARG en hij onderschrijft de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. Naar aanleiding van wat in hoger beroep is aangevoerd, voegt hij daaraan nog het volgende toe. Appellant heeft als oorzaak van zijn arbeidsongeschiktheid met name gewezen op de volgens hem voortdurende en sluipenderwijs ingevoerde reorganisaties alsmede veranderingen in de werkwijze van de [naam functie] van de gemeente [woonplaats 3]. Hoewel duidelijk is dat dit alles geen ideale werkomstandigheden voor appellant opleverde, en het voorstelbaar is dat (sommige) [naam functie] onder wie appellant zich ondergewaardeerd voelden, kan niet worden gezegd dat de hier beschreven situatie, objectief gezien, als buitensporig te beschouwen werkomstandigheden heeft opgeleverd. Het gaat eerder om niet als zeer uitzonderlijk of zeer ongebruikelijk te beschouwen onzekerheden in de werksfeer. Verder is niet gebleken dat de leidinggevenden appellant onheus zouden hebben bejegend of dat hun houding tegenover appellant zodanig was dat die als buitensporig is aan te merken. Appellant heeft ook naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk gemaakt dat zijn leidinggevenden met hem zijn omgegaan op een wijze die in de ambtelijke verhouding, voor iedere willekeurige ambtenaar, onaanvaardbaar zou zijn. Nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat, objectief gezien, sprake is van buitensporige werkomstandigheden, komt de Raad niet toe aan de door appellant opgeworpen vraag of er tussen de werkzaamheden en ontstane psychische arbeidsongeschiktheid een oorzakelijk verband aanwezig is. Het hoger beroep slaagt niet.
Betrokken advocaten
mr. R.J. de Boer
appellant
mr. L.N. Hoekstra
appellant
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBNNE:2026:56, Rechtbank Noord-Nederland, 13-01-2026, 11427765 \ CV EXPL 24-8051
Rechtbank Noord-Nederland · Civiel Recht
ECLI:NL:RBNNE:2026:54, Rechtbank Noord-Nederland, 13-01-2026, 11427759 \ CV EXPL 24-8050
Rechtbank Noord-Nederland · Civiel Recht
ECLI:NL:RBNNE:2026:53, Rechtbank Noord-Nederland, 13-01-2026, 11427743 \ CV EXPL 24-8049
Rechtbank Noord-Nederland · Civiel Recht
ECLI:NL:RBNNE:2026:60, Rechtbank Noord-Nederland, 13-01-2026, 11427787 \ CV EXPL 24-8053
Rechtbank Noord-Nederland · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
24 september 2020
Instantie
Centrale Raad van BeroepRechtsgebied
Bestuursrecht; AmbtenarenrechtZaaknummer
19/3613 AW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2020:2275