ECLI:NL:CRVB:2021:2196, Centrale Raad van Beroep, 02-09-2021, 20/459 AW — CRVB:2021:2196
Samenvatting
Appellant heeft betoogd dat de straf ten onrechte direct is geëffectueerd. Dit betoog slaagt niet. De beroepsgrond dat het voortraject zo onzorgvuldig is geweest, dat de opgelegde straf reeds daarom geen stand kan houden, treft geen doel. De Raad overweegt dat het bij het verweten plichtsverzuim gaat om één-op-één-situaties tussen enerzijds B en appellant en anderzijds V en appellant. Het is dan lastig vast te stellen wat woordelijk is gezegd, wat het college ter zitting nog heeft beaamd door kenbaar te maken dat wat woordelijk is gezegd ook niet is bewezen. Dan moet wel op een andere wijze de overtuiging zijn verkregen dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan de verweten gedragingen. Een erkenning hiervan door appellant is er niet. Aldus acht de Raad de verklaringen van B en V onvoldoende basis voor de overtuiging dat appellant de hem verweten gedragingen heeft begaan. Hieruit volgt dat het aan appellant verweten plichtsverzuim onvoldoende vaststaat, zodat het college niet bevoegd was over te gaan tot het opleggen van een disciplinaire straf. De conclusie is dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het ontslagbesluit van 24 oktober 2018 herroepen. Hieruit volgt dat de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding door de rechtbank ook geen stand kan houden. De Raad volstaat met een vernietiging op dit punt, omdat appellant ter zitting te kennen heeft gegeven dat hij bij een voor hem gunstige uitkomst een nader onderbouwd verzoek om schadevergoeding bij de rechtbank zal indienen. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant.
Betrokken advocaten
mr. A.J.F. Widdershoven
appellant
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2025:4994, Rechtbank Amsterdam, 03-07-2025, C/13/767714 / KG ZA 25-271
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:RBLIM:2025:1420, Rechtbank Limburg, 15-01-2025, C/03/329922 / HA ZA 24-193
Rechtbank Limburg · Civiel Recht
ECLI:NL:RBGEL:2024:400, Rechtbank Gelderland, 03-01-2024, C/05/428215 / HA ZA 23-503
Rechtbank Gelderland · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:GHSHE:2023:3271, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 10-10-2023, 200.242.697_02
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
2 september 2021
Instantie
Centrale Raad van BeroepRechtsgebied
Bestuursrecht; AmbtenarenrechtZaaknummer
20/459 AW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2021:2196