Juristi.nl
ECLI:NL:CRVB:2021:370Bestuursrecht; Ambtenarenrecht

ECLI:NL:CRVB:2021:370, Centrale Raad van Beroep, 18-02-2021, 20/1778 AW — CRVB:2021:370

Samenvatting

In de uitspraak van 28 november 2019 heeft de Raad geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de korpschef ex nunc mocht beslissen. De Raad heeft in zijn uitspraken van 18 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2432, ECLI:NL:CRVB:2019:2506, ECLI:NL:CRVB:2019:2507, ECLI:NL:CRVB:2019:2508 en ECLI:NL:CRVB:2019:2573) het uitgangspunt onderschreven dat alle aanvragen op gelijke wijze worden beoordeeld en het niet onredelijk geacht dat daarvoor een peildatum wordt gehanteerd. Geoordeeld is dat de peildatum van 1 juni 2017 de rechterlijke toets kan doorstaan. Dit betekent dat de korpschef de aanvraag om ontheffing van werkzaamheden had moeten beoordelen naar de situatie op de peildatum 1 juni 2017. De korpschef dient te onderzoeken of op de peildatum 1 juni 2017 een herplaatsingskandidaat op de plek van appellant kon worden geplaatst. De Raad heeft in de genoemde uitspraak van 16 april 2020 overwogen dat het onderzoek van de korpschef niet zover hoeft te gaan dat aan herplaatsingskandidaten die op de peildatum al in een bepaald traject zaten met zicht op plaatsing in een andere functie, alsnog de functie wordt aangeboden van degene die vraagt om ontheffing van werkzaamheden. Verder heeft de Raad in zijn uitspraak van 22 oktober 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:2606) overwogen dat het voorgaande ook geldt voor herplaatsingskandidaten op wie een maatwerktraject van toepassing was waarbij is afgesproken om de tijdelijke tewerkstelling voort te zetten tot aan de ingangsdatum van het (vroeg)pensioen dan wel tot aan het formaliseren van de rechtspositie. De korpschef heeft in zijn verweerschrift gemotiveerd toegelicht dat bij kandidaat 28 sprake was van een maatwerktraject als hiervoor bedoeld en dat deze kandidaat de status van herplaatsingskandidaat pas kort voor de peildatum heeft verkregen als gevolg van een intrekking van het plaatsingsbesluit. Wat betreft kandidaat nummer 7 heeft de korpschef gemotiveerd toegelicht en met stukken onderbouwd dat die kandidaat op 4 juli 2017 een herplaatsingsplan heeft getekend. De korpschef heeft er in dit verband terecht op gewezen dat aan het tekenen van het herplaatsingsplan voorbereiding is voorafgegaan. Wat betreft herplaatsingskandidaat 50 heeft de korpschef uitvoerig toegelicht dat deze kandidaat vanwege energetische beperkingen al langer niet op het bij zijn eigen functie behorende niveau kon functioneren. Wat betreft herplaatsingskandidaat 51 heeft de korpschef erkend dat het juist is dat een executieve status niet vereist was en dat dit dan ook geen afwijzingsgrond kan zijn. Uit wat is overwogen volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Weliswaar is aan het bestreden besluit, gelet op wat is overwogen, ten aanzien van herplaatsingskandidaat 51 een onjuiste motivering ten grondslag gelegd, maar de Raad ziet aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, nu de korpschef in zijn nadere toelichting in het verweerschrift hierover alsnog duidelijkheid heeft verschaft. Aanleiding bestaat om de korpschef op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die appellant in verband met het beroep tegen het bestreden besluit redelijkerwijs heeft moeten maken.

Betrokken advocaten

mr. P.W. Kuijper

appellant

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

18 februari 2021

Zaaknummer

20/1778 AW

Procedure

Hoger beroep

ECLI

ECLI:NL:CRVB:2021:370

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

CRVB:2026:336
Centrale Raad van Beroep·19 maart 2026
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
CRVB:2026:333
Centrale Raad van Beroep·19 maart 2026
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
CRVB:2026:330
Centrale Raad van Beroep·19 maart 2026
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
CRVB:2026:340
Centrale Raad van Beroep·19 maart 2026
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
CRVB:2026:281
Centrale Raad van Beroep·4 maart 2026
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht