Juristi.nl

ECLI:NL:CRVB:2021:525, Centrale Raad van Beroep, 10-03-2021, 19/.271 WLZ — CRVB:2021:525

Samenvatting

Wlz-pgb, wijziging van het verleningsbesluit 2017, intrekking van het verleningsbesluit 2018, opgelegde verplichtingen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat appellante geen duidelijkheid heeft gegeven over wie, wanneer, welke zorg aan haar heeft verleend. Appellante heeft verder geen stukken overgelegd waaruit eensluidend, duidelijk en concreet blijkt welke zorg in welke mate is verleend. De gemachtigde van appellante heeft daarnaast tijdens de zitting verklaard dat hij geen andere stukken meer kan overleggen en dat appellante door haar gezondheidssituatie zich niet kan herinneren welke zorg is verleend. Nu niet duidelijk is geworden dat appellante het pgb in 2017 volledig heeft besteed aan Wlz-zorg, heeft zij voor dat jaar niet voldaan aan de verplichting van artikel 5.18, aanhef en onder a, van de Rlz. Het zorgkantoor was dan ook reeds hierom op grond van artikel 5.20, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rlz bevoegd de verleningsbeschikking van 9 februari 2017 te wijzigen. Het betoog dat het zorgkantoor bij de belangenafweging onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat appellante als budgethouder te goeder trouw is geweest, slaagt niet. Appellante en de gewaarborgde hulp hebben de gevraagde informatie niet aangeleverd. Hierdoor is onvoldoende inzichtelijk gebleven wie wanneer welke zorg heeft verleend. Gelet op het eerder genoemde uitgangspunt heeft het zorgkantoor deze onduidelijkheid voor rekening en risico van appellante kunnen laten komen. Het zorgkantoor heeft ter zitting toegelicht dat in het bestreden besluit voor de grondslag van de intrekking van de verleningsbeschikking over het jaar 2018 wordt verwezen naar de geschonden verplichtingen die aan de wijziging van de verleningsbeschikking over het jaar 2017 ten grondslag zijn gelegd. Deze gedragingen van appellante hebben echter betrekking op het jaar 2017 en kunnen daarom niet worden aangemerkt als handelen in strijd met de verplichtingen die bij de verlening van het pgb voor het jaar 2018 aan appellante zijn opgelegd. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de verleningsbeschikking van 14 december 2017. Aanleiding bestaat om het zorgkantoor te veroordelen in de proceskosten van appellante.

Betrokken advocaten

mr. A.W. Boer

appellant

Advocaat Boer, ZEIST

mr. N. Baytemir

appellant

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

10 maart 2021

Zaaknummer

19/.271 WLZ

Procedure

Hoger beroep

ECLI

ECLI:NL:CRVB:2021:525

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

CRVB:2026:372
Centrale Raad van Beroep·2 april 2026
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
CRVB:2026:374
Centrale Raad van Beroep·2 april 2026
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
CRVB:2026:375
Centrale Raad van Beroep·2 april 2026
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
CRVB:2026:366
Centrale Raad van Beroep·2 april 2026
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
CRVB:2026:365
Centrale Raad van Beroep·2 april 2026
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht