Vrouw verliest verzet tegen afwijzing herzieningsverzoek vanwege onbetaald griffierecht — CRVB:2026:1
griffierecht / herzieningsverzoek bestuursrecht / betalingsonmacht
Eiser / verzoeker
appellante (zelfstandig ondernemer te Amsterdam)
Verweerder / gedaagde
College van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam
Het verzet van appellante werd ongegrond verklaard, waarmee de niet-ontvankelijkverklaring van haar herzieningsverzoek wegens niet-betaling van griffierecht in stand blijft.
- Griffierecht bij herzieningsverzoek wordt berekend naar het tarief op het moment van indiening, niet naar het werkelijk betaalde bedrag in eerdere procedures
- Een eerdere vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht geldt niet automatisch voor een later herzieningsverzoek
- Zelfstandige ondernemers kunnen betalingsonmacht aantonen via inzicht in inkomen over de referteperiode; appellante had dit al eerder met succes gedaan
Samenvatting
Een vrouw uit Amsterdam probeerde een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit 2022 te laten herzien. Dat herzieningsverzoek werd eerder al niet-ontvankelijk verklaard omdat ze het vereiste griffierecht van 138 euro niet had betaald. Tegen die beslissing tekende ze verzet aan, maar ook dat liep op niets uit.
De vrouw, een zelfstandig ondernemer, redeneerde dat ze geen griffierecht hoefde te betalen bij haar herzieningsverzoek. In eerdere procedures — zowel bij de rechtbank Amsterdam als bij de Centrale Raad zelf — had ze namelijk een vrijstelling gekregen op grond van betalingsonmacht. Ze meende dat deze vrijstelling ook zou gelden voor haar nieuwe herzieningsverzoek.
De rechter ging daar niet in mee. Volgens de wet moet voor een herzieningsverzoek hetzelfde griffierecht worden betaald als destijds verschuldigd zou zijn geweest voor het hoger beroep — en wel berekend naar het moment waarop het herzieningsverzoek werd ingediend, in juni 2024. Op dat moment bedroeg het griffierecht voor hoger beroep 138 euro. Dat de vrouw in eerdere procedures feitelijk niets had hoeven betalen, doet er juridisch niet toe: de wet knoopt aan bij wat verschuldigd zou zijn geweest, niet bij wat werkelijk betaald werd.
Daarnaast voerde de vrouw aan dat zelfstandige ondernemers in een nadelige positie verkeren als het gaat om het aantonen van betalingsonmacht, en dat daarvoor een wettelijke grondslag zou ontbreken. Ook dit argument verwierp de rechter. De mogelijkheid om bij betalingsonmacht vrijstelling te krijgen van griffierecht is wettelijk verankerd en gebaseerd op jarenlange rechtspraak van de hoogste bestuursrechters. Bovendien wees de rechter erop dat de vrouw zelf al twee keer eerder met succes een beroep op betalingsonmacht had gedaan als zelfstandige, wat juist aantoont dat dit voor ondernemers wel degelijk mogelijk is. Haar bewering dat die eerdere vrijstellingen alleen uit coulance waren verleend, onderbouwde ze op geen enkele manier.
Uiteindelijk verklaarde de Centrale Raad van Beroep het verzet ongegrond. De vrouw krijgt geen herziening van de uitspraak uit 2022, en haar zaak is daarmee definitief afgesloten.
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:CRVB:2026:118, Centrale Raad van Beroep, 22-01-2026, 23/3447 WAD
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
ECLI:NL:CRVB:2026:130, Centrale Raad van Beroep, 22-01-2026, 24/314 WAD
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
ECLI:NL:CRVB:2026:119, Centrale Raad van Beroep, 22-01-2026, 23/3400 POL
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
ECLI:NL:CRVB:2026:30, Centrale Raad van Beroep, 15-01-2026, 24/1645 BABW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
12 januari 2026
Instantie
Centrale Raad van BeroepRechtsgebied
Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtZaaknummer
24/1343 BBZ-V
Procedure
Verzet
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:1