Centrale Raad handhaaft weigering Wajong-uitkering voor jonggehandicapte — CRVB:2026:317
Wajong-uitkering / weigering herziening arbeidsongeschiktheidsbesluit jonggehandicapten
Eiser / verzoeker
appellante (jonge vrouw met verstandelijke beperking)
Verweerder / gedaagde
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en liet de weigering van de Wajong-uitkering in stand.
- Geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden die herziening van het eerdere Wajong-besluit uit 2019 rechtvaardigen
- Stelling over ernstiger verstandelijke beperking is geen nieuw feit, omdat de betreffende stukken al bij de eerste aanvraag waren ingediend
- Onvoldoende medische onderbouwing voor gestelde toename van rugklachten door scoliose
- Medisch onderzoek door UWV was voldoende zorgvuldig uitgevoerd
- Afwijzing Wajong-aanvraag 2022 is niet evident onredelijk
Samenvatting
Een jonge vrouw met een verstandelijke beperking, spraak- en gehoorproblemen en een slechte motoriek streed voor een Wajong-uitkering, maar ving bot bij de Centrale Raad van Beroep. De zaak draait om een aanvraag die zij in 2022 indiende, nadat het UWV haar in 2019 al eerder een Wajong-uitkering had geweigerd.
In 2019 concludeerde het UWV na medisch en arbeidskundig onderzoek dat de vrouw, geboren in 2001, wel arbeidsvermogen heeft en daarmee niet in aanmerking komt voor de uitkering voor jonggehandicapten. Dat besluit werd destijds onherroepelijk nadat bezwaar ongegrond werd verklaard. Drie jaar later deed zij opnieuw een poging en vroeg op 18 maart 2022 opnieuw een Wajong-uitkering aan. Ditmaal stelde zij dat er nieuwe feiten waren, dat haar gezondheidssituatie was verslechterd door toegenomen rugklachten door scoliose, en dat de ernst van haar verstandelijke beperking eerder was onderschat.
Het UWV wees ook deze aanvraag af. Een nieuwe verzekeringsarts onderzocht de zaak en zag geen reden om terug te komen op het eerdere besluit. Er waren volgens het UWV geen nieuwe feiten of omstandigheden die een herziening rechtvaardigden. De vrouw maakte bezwaar, maar dat werd in maart 2023 opnieuw ongegrond verklaard. De rechtbank Limburg bevestigde dit standpunt in februari 2025.
In hoger beroep voerde de vrouw aan dat het UWV zich te beperkt had opgesteld door alleen te kijken naar nieuwe feiten. Zij stelde dat haar verstandelijke beperking matig tot ernstig is, terwijl het UWV slechts van een lichte beperking uitging. Ook klaagde zij over de manier waarop het medisch onderzoek was verlopen: het spreekuur vond pas laat plaats, het gesprek verliep grotendeels via haar stiefmoeder, en een verklaring van haar voormalig huisarts was ten onrechte terzijde gelegd.
De Centrale Raad van Beroep veegde deze bezwaren van tafel. Het schoolontwikkelingsperspectief uit 2018 dat de ernst van haar beperking zou aantonen, was al bij de eerste aanvraag ingediend en dus geen nieuw gegeven. Hetzelfde gold voor het zorgindicatiebesluit uit 2017. De stelling dat de verstandelijke beperking ernstiger is dan aangenomen, kwalificeert simpelweg niet als een nieuw feit.
Ook de klacht over de procedure overtuigde de Raad niet. Uit het dossier bleek dat niet alleen de nieuwe huisarts was benaderd voor informatie, maar ook de voormalig huisarts. Alleen de nieuwe huisarts reageerde. De verklaring van de voormalig huisarts die de vrouw zelf had overgelegd in bezwaar, was wel degelijk meegenomen in de beoordeling.
Over de gestelde verslechtering van de rugklachten was de Raad kort: appellante erkende ter zitting zelf dat er nauwelijks medische onderbouwing voor de toename van klachten was. Een verwijzing naar een wervelkolomcentrum uit 2015 volstaat niet als bewijs van een verslechterde gezondheidstoestand tijdens de relevante beoordelingsperiode. Het hoger beroep faalde op alle fronten.
De uitkomst is dat de Wajong-uitkering definitief geweigerd blijft. De vrouw krijgt geen vergoeding voor haar proceskosten.
Betrokken advocaten
mr. A.W.M. Mans
appellante
mr. D.W.C. Jacobs
Uwv
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:CRVB:2026:354, Centrale Raad van Beroep, 26-03-2026, 25/159 BESLU
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2026:355, Centrale Raad van Beroep, 26-03-2026, 24/2117 WIA
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2026:356, Centrale Raad van Beroep, 26-03-2026, 25/50 WIA
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2026:318, Centrale Raad van Beroep, 12-03-2026, 25/893 WAJONG
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
12 maart 2026
Instantie
Centrale Raad van BeroepRechtsgebied
Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtZaaknummer
25/695 WAJONG
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:317