Rechter bevestigt: geen WIA-uitkering voor man met hartklachten — CRVB:2026:366
WIA-uitkering / arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
Eiser / verzoeker
Appellant (voormalig financieel directeur)
Verweerder / gedaagde
Raad van bestuur van het UWV
Het hoger beroep is ongegrond verklaard; appellant heeft geen recht op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is (vastgesteld op 33,53%).
- De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 33,53%, onder de wettelijke drempel van 35% voor WIA-uitkering.
- Het in hoger beroep ingebrachte cardiologenrapport van juli 2025 bevat alleen anamnestische gegevens en toont niet aan dat de eerdere medische beoordeling onjuist was.
- De verzekeringsarts heeft wel degelijk rekening gehouden met restklachten (vermoeidheid, concentratieproblemen), ook al zijn deze medisch niet volledig objectiveerbaar.
- De geduide functies leveren geen overschrijding op van de belastbaarheid: conflicthantering vindt alleen telefonisch/schriftelijk plaats en van productiepieken is geen sprake.
- Er bestaat geen recht op proceskostenvergoeding in bezwaar, omdat de bijgestelde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling niet heeft geleid tot herroeping van het primaire besluit.
Samenvatting
Een voormalig financieel directeur die zich in 2021 ziekmeldde met ernstige hartklachten, krijgt ook van de Centrale Raad van Beroep geen WIA-uitkering. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) had eerder vastgesteld dat hij minder dan 35 procent arbeidsongeschikt is — de grens waaronder geen recht bestaat op een WIA-uitkering.
De man werkte 39,77 uur per week als financieel directeur toen hij in maart 2021 een levensbedreigende hartaandoening doormaakte, waarvoor hij met spoed werd geopereerd. Na de wachttijd vroeg hij een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat hij weliswaar beperkingen heeft — onder meer op het gebied van stress, conflicthantering en productiepieken — maar dat hij nog altijd in staat is bepaalde functies te vervullen, zoals schadecorrespondent, administratief medewerker of medewerker afhandelingen. De mate van arbeidsongeschiktheid werd berekend op 33,53 procent, net onder de drempel van 35 procent.
De man betwistte dit oordeel en voerde aan dat zijn beperkingen zwaarder zijn dan het UWV heeft aangenomen. Hij stelde dat zijn cardioloog hem mondeling had meegegeven dat fysieke en mentale belasting strikt gemeden moest worden, wat haaks zou staan op de conclusies in de brief van de cardioloog die het UWV had ontvangen. Bovendien zou een structurele beperking in concentratie en mentale duurbelasting ontbreken in de zogeheten Functionele Mogelijkhedenlijst.
Tijdens de bezwaar- en beroepsprocedure vroeg de verzekeringsarts van het UWV zelf informatie op bij de behandelend cardioloog. Die liet in een brief van mei 2024 weten dat de man cardiaal vrijwel normaal belastbaar was, ook op de datum die centraal staat in de beoordeling. De restklachten — vermoeidheid en concentratieproblemen — konden niet medisch worden verklaard, maar de verzekeringsarts achtte ze wel aannemelijk gezien de ernst van de aandoening. Om die reden werden alsnog beperkingen opgenomen in het belastbaarheidsprofiel.
In hoger beroep bracht de man een nieuw rapport van zijn cardioloog in, gedateerd juli 2025, waarin gesproken wordt van structurele vermoeidheid, inspanningsintolerantie en concentratiestoornissen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat dit rapport slechts anamnestische gegevens bevat — dat wil zeggen informatie gebaseerd op wat de patiënt zelf heeft verteld — en daarmee niet aantoont dat de eerdere beoordeling van de cardioloog onjuist was of verkeerd is uitgelegd.
Ook de arbeidskundige kant van de beoordeling hield stand. De man had betoogd dat de geselecteerde functies te veel werkstress, klantcontact en verantwoordelijkheid meebrengen en daarmee zijn beperkingen overschrijden. De Raad volgde dit standpunt niet. De arbeidsdeskundige had voldoende toegelicht dat conflicthantering in de betreffende functies alleen telefonisch en schriftelijk plaatsvindt en niet face-to-face, en dat van productiepieken geen sprake is.
Daarnaast claimde de man een vergoeding van de proceskosten in bezwaar, omdat het UWV zijn arbeidsongeschiktheidspercentage tussentijds had bijgesteld. De Raad wees dit af: de bijstelling heeft niet geleid tot herroeping van het oorspronkelijke besluit, want het percentage bleef onder de 35 procent waardoor de uitkomst — geen uitkering — onveranderd bleef.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank Overijssel en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De man krijgt geen WIA-uitkering en ook geen proceskostenvergoeding over de bezwaarfase.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:912, Rechtbank Den Haag, 22-01-2026, 09-258600-25
Rechtbank Den Haag · Strafrecht
ECLI:NL:CRVB:2026:53, Centrale Raad van Beroep, 14-01-2026, 21/2045 WIA
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:CRVB:2026:72, Centrale Raad van Beroep, 14-01-2026, 24/2589 TW
Centrale Raad van Beroep · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:24324, Rechtbank Den Haag, 19-12-2025, 25/7757
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Gegevens
Datum uitspraak
2 april 2026
Instantie
Centrale Raad van BeroepRechtsgebied
Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtZaaknummer
25/846 WIA
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:366