Raad van Beroep: man blijft gebonden aan vaststellingsovereenkomst met UWV — CRVB:2026:372
WIA / IVA-uitkering / geldigheid vaststellingsovereenkomst / dagloonberekening
Eiser / verzoeker
appellant (WIA-uitkeringsgerechtigde)
Verweerder / gedaagde
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)
Het hoger beroep en het beroep tegen het nieuwe besluit op bezwaar zijn ongegrond verklaard; de IVA-uitkering blijft ingaan per 4 februari 2020 en de vaststellingsovereenkomst blijft bindend.
- De vaststellingsovereenkomst tussen appellant en het UWV is rechtsgeldig en bindt appellant, ook al wijkt de inhoud af van wat de wet zou voorschrijven.
- Strijdigheid met openbare orde is niet aangetoond: noch het arrest van de Hoge Raad uit 1990 noch ILO-verdrag 121 maakt de overeenkomst ongeldig.
- Beroepsgronden over maatmanfunctie en maatmaninkomen behoeven geen bespreking omdat die vallen onder de finale kwijting in de vaststellingsovereenkomst.
- De ingangsdatum van de IVA-uitkering op 4 februari 2020 is terecht vastgesteld; onvoldoende onderbouwing voor een eerdere datum (1 oktober 2019).
- De nieuwe beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) over de toepassing van artikel 25 Dagloonbesluit houdt in hoger beroep stand.
Samenvatting
Een man die al jarenlang een WIA-uitkering ontvangt, probeerde via de rechter onder een eerder gesloten vaststellingsovereenkomst met het UWV uit te komen. De Centrale Raad van Beroep heeft dat verzoek afgewezen en geoordeeld dat de man gewoon aan die overeenkomst gebonden blijft.
De man ontving al sinds november 2014 een WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. In mei 2020 sloten hij en het UWV een vaststellingsovereenkomst om een einde te maken aan een langlopend conflict over onder meer de ingangsdatum van zijn uitkering en de vraag bij welke werkgever hij precies in dienst was. In die overeenkomst werd ook afgesproken dat er sprake was van 'finale kwijting': de man zou geen nieuwe verzoeken of procedures meer starten over de periode vóór mei 2020.
Na het sluiten van die overeenkomst vroeg de man toch om herbeoordeling. Dat leidde ertoe dat het UWV hem per 4 februari 2020 een IVA-uitkering toekende — een uitkering voor mensen die volledig én duurzaam arbeidsongeschikt zijn. De man maakte daartegen bezwaar. Hij wilde onder meer dat de ingangsdatum van die duurzaamheid eerder zou worden vastgesteld, namelijk op 1 oktober 2019. Ook had hij bezwaren over de berekening van zijn dagloon en zijn maatmaninkomen.
De rechtbank Noord-Nederland gaf de man op één punt gelijk: het UWV had onvoldoende uitgelegd hoe het de dagloonberekening had uitgevoerd. Op alle andere punten won het UWV. Vervolgens deed het UWV een nieuwe beslissing, maar ook daarmee was de man het niet eens. Hij stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
In hoger beroep voerde de man opnieuw aan dat de vaststellingsovereenkomst niet geldig zou zijn. Volgens hem was de overeenkomst in strijd met de openbare orde, onder meer omdat die de publiekrechtelijke regelgeving op een onaanvaardbare manier zou doorkruisen. Hij verwees daarbij naar een oud arrest van de Hoge Raad uit 1990 en naar een internationaal ILO-verdrag over uitkeringen bij arbeidsongevallen en beroepsziekten.
De Centrale Raad van Beroep gaat daar niet in mee. Een vaststellingsovereenkomst mag inhoudelijk afwijken van wat de wet zou voorschrijven, zo legt de Raad uit. Dat is alleen anders als de overeenkomst zó in strijd is met wat de wet in zijn geheel beoogt, dat partijen redelijkerwijs niet op nakoming konden rekenen. Dat is hier niet het geval. Het UWV en de man mochten gewoon afspraken maken over de ingangsdatum en omvang van de uitkering. Het arrest van de Hoge Raad uit 1990 staat daar niet aan in de weg, en de man heeft niet concreet onderbouwd waarom het ILO-verdrag wél in de weg zou staan.
Omdat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig is, hoeft de Raad ook niet in te gaan op de argumenten van de man over zijn maatmanfunctie en maatmaninkomen: die onderwerpen vallen onder de reikwijdte van de finale kwijting.
De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep van de man ongegrond verklaard en ook het beroep tegen de nieuwe beslissing van het UWV verworpen. De eerder door de rechtbank vernietigde beslissing is vervangen door een nieuwe beslissing op bezwaar van het UWV, maar ook die houdt stand. De man krijgt geen nabetaling en de vastgestelde ingangsdatum van de IVA-uitkering per 4 februari 2020 blijft in stand.
Betrokken advocaten
mr. D.E. de Hoop
appellant
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2025:26820, Rechtbank Den Haag, 22-12-2025, SGR 24/10165
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
ECLI:NL:RBMNE:2025:6326, Rechtbank Midden-Nederland, 24-11-2025, UTR 25/6092
Rechtbank Midden-Nederland · Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
ECLI:NL:RBGEL:2025:7909, Rechtbank Gelderland, 23-09-2025, AWB-24_3042 TUS
Rechtbank Gelderland · Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ECLI:NL:RBMNE:2025:6075, Rechtbank Midden-Nederland, 23-09-2025, UTR 25/3322
Rechtbank Midden-Nederland · Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Gegevens
Datum uitspraak
2 april 2026
Instantie
Centrale Raad van BeroepRechtsgebied
Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtZaaknummer
23/256 WIA
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:372