Raad wijst verletkosten WIA-spreekuren zelfstandige af — CRVB:2026:373
bestuursrecht / sociale zekerheid / schadevergoeding verletkosten WIA
Eiser / verzoeker
Appellant (zelfstandig ondernemer)
Verweerder / gedaagde
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank, die het verzoek om vergoeding van verletkosten afwees, is bevestigd.
- Vaststellingsovereenkomst met finale kwijting over periode vóór 1 mei 2020 staat inhoudelijke beoordeling van verletkosten voor spreekuur in 2019 in de weg.
- Verletkosten voor spreekuur in 2021 komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat geen sprake is van schade door een onrechtmatig besluit.
- Appellant heeft de gestelde inkomstenderving onvoldoende onderbouwd met bewijsstukken uit de relevante periode.
- Verplichte medewerking aan spreekuur verzekeringsarts in het kader van WIA-aanvraag kan niet leiden tot schadevergoeding via artikel 8:88 Awb.
Samenvatting
Een zelfstandig ondernemer die een WIA-uitkering aanvroeg, wilde van het UWV een vergoeding krijgen voor de tijd die hij kwijt was aan verplichte spreekuren bij de verzekeringsarts. Hij stelde dat hij als zelfstandige op basis van no cure no pay werkte en daardoor inkomsten misliep door deze bezoeken. Het UWV weigerde de vergoeding, omdat de man niet had aangetoond dat hij daadwerkelijk inkomsten had gederfd.
De man had in mei 2020 een vaststellingsovereenkomst gesloten met het UWV, waarin was afgesproken dat over de periode vóór 1 mei 2020 over en weer niets meer geclaimd kon worden — zogenoemde finale kwijting. Een van de twee spreekuren waarvoor hij vergoeding vroeg, vond plaats op 9 mei 2019 en viel daarmee volledig onder deze overeenkomst. De Centrale Raad van Beroep oordeelde in een afzonderlijke uitspraak al dat de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig tot stand was gekomen. Dat betekende dat het verzoek voor het spreekuur in 2019 inhoudelijk niet meer beoordeeld kon worden.
Voor het spreekuur op 8 april 2021 — na de grens van 1 mei 2020 — lag dat anders. Dat viel buiten de reikwijdte van de overeenkomst en kon wél inhoudelijk worden beoordeeld. De man voerde aan dat zijn verletkosten voor vergoeding in aanmerking komen op basis van een arrest van de Hoge Raad uit september 2022, waarin zou zijn bepaald dat alle tijdsbesteding als zelfstandig ondernemer in beginsel vergoed kan worden. Maar de Centrale Raad volgde die redenering niet.
Voor een succesvolle schadeclaim via het bestuursrecht is vereist dat de schade het gevolg is van een onrechtmatig besluit of onrechtmatig handelen ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit. Daarvan was hier geen sprake: het bijwonen van spreekuren bij de verzekeringsarts is een wettelijke verplichting in het kader van een WIA-aanvraag. Bovendien had de man zijn gestelde inkomstenderving onvoldoende onderbouwd met stukken die betrekking hebben op de periode waarin het spreekuur plaatsvond. De overgelegde nota's dateerden grotendeels uit andere jaren en toonden niet aan dat hij op het moment van het bezoek een zo volle agenda had dat hij daardoor omzet misliep.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland en wees het hoger beroep af. Een proceskostenveroordeling bleef achterwege.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:GHARL:2025:1293, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-03-2025, 200.339.388/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Civiel Recht
ECLI:NL:GHAMS:2024:1590, Gerechtshof Amsterdam, 11-06-2024, 200.310.620/01
Gerechtshof Amsterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:RBOVE:2023:5259, Rechtbank Overijssel, 20-12-2023, C/08/283825 / HA ZA 22-257
Rechtbank Overijssel · Civiel Recht
ECLI:NL:RBAMS:2022:1982, Rechtbank Amsterdam, 13-04-2022, C/13/715021 / KG ZA 22-219
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
2 april 2026
Instantie
Centrale Raad van BeroepRechtsgebied
Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtZaaknummer
23/1171 WIA
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:373