Hoger beroep man tegen UWV niet-ontvankelijk door vaststellingsovereenkomst — CRVB:2026:375
dwangsomverzoek / niet-tijdig beslissen / vaststellingsovereenkomst / sociale zekerheid (ZW)
Eiser / verzoeker
Appellant (naam niet vermeld)
Verweerder / gedaagde
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV)
De Centrale Raad van Beroep heeft de hoger beroepen niet-ontvankelijk verklaard wegens de finaleKwijtingsclausule in de vaststellingsovereenkomst tussen appellant en het UWV.
- Hoger beroepen niet-ontvankelijk verklaard vanwege finale kwijting in vaststellingsovereenkomst van mei 2020
- Dwangsomregeling (art. 4:17 Awb) kan alleen worden ingeroepen als er sprake is van een aanvraag; daarvan was geen sprake
- Betaalspecificatie van 11 augustus 2020 geldt als besluit tot intrekking van de WW- en ZW-uitkering
- Vaststellingsovereenkomst staat inhoudelijke beoordeling door de Raad in de weg
Samenvatting
Een man had het UWV in 2021 in gebreke gesteld omdat er geen officiële besluiten zouden zijn gevolgd op de intrekking van zijn WW-, ZW- en WIA-uitkeringen. Hij stelde dat in 2020 was afgesproken dat die uitkeringen werden stopgezet, maar dat het UWV had nagelaten daarvoor formele besluiten te nemen. Op basis daarvan vroeg hij om dwangsommen en schadevergoeding.
Het UWV wees die verzoeken af. Volgens de uitvoeringsinstantie was er geen sprake van een aanvraag — een vereiste om überhaupt recht te kunnen hebben op een dwangsom wegens niet tijdig beslissen. Bovendien wees het UWV erop dat er wél al een besluit was genomen: een betaalspecificatie van 11 augustus 2020, waaruit de intrekking van de uitkeringen bleek. Die betaalspecificatie geldt volgens vaste rechtspraak als een besluit.
De rechtbank Noord-Nederland gaf het UWV gelijk. De dwangsomregeling in de Algemene wet bestuursrecht kan alleen in werking treden als iemand een aanvraag heeft ingediend. De man had dat niet gedaan. Ook de vaststellingsovereenkomst die hij eerder met het UWV had gesloten, kon niet als aanvraag worden beschouwd. En omdat er sowieso al een besluit lag vóór de ingebrekestellingen werden verstuurd, was er geen grond voor dwangsommen. Het verzoek om schadevergoeding strandde eveneens, omdat niet was aangetoond dat het genomen besluit onrechtmatig was.
De man ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Het UWV voerde daar aan dat de hoger beroepen niet-ontvankelijk verklaard moesten worden, omdat de man in mei 2020 een vaststellingsovereenkomst had getekend met daarin een finaleKwijtingsclausule. Die clausule bepaalt dat over de periode vóór 1 mei 2020 over en weer niets meer geclaimd kan worden. Ook had de man zich verplicht alle lopende procedures en verzoeken in te trekken.
De Centrale Raad stelde vast dat in een andere, gelijktijdig behandelde zaak al was geoordeeld dat die vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat er geen reden is de man daaraan niet gebonden te achten. Omdat de geschillen in deze zaken betrekking hebben op de periode vóór 1 mei 2020, vallen ze volledig onder de reikwijdte van de overeenkomst. De Raad kon de zaken daardoor inhoudelijk niet meer beoordelen en verklaarde de hoger beroepen niet-ontvankelijk. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:GHARL:2025:1293, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 04-03-2025, 200.339.388/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Civiel Recht
ECLI:NL:GHAMS:2024:1590, Gerechtshof Amsterdam, 11-06-2024, 200.310.620/01
Gerechtshof Amsterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:RBOVE:2023:5259, Rechtbank Overijssel, 20-12-2023, C/08/283825 / HA ZA 22-257
Rechtbank Overijssel · Civiel Recht
ECLI:NL:RBAMS:2022:1982, Rechtbank Amsterdam, 13-04-2022, C/13/715021 / KG ZA 22-219
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
2 april 2026
Instantie
Centrale Raad van BeroepRechtsgebied
Bestuursrecht; SocialezekerheidsrechtZaaknummer
23/350 ZW
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:CRVB:2026:375