Hof kent €7.873 toe na afgewezen beklag, paralegalkosten vergoed niet — GHAMS:2026:828
vergoeding rechtsbijstandskosten na artikel-12-procedure (art. 530 Sv)
Eiser / verzoeker
Verzoeker (beklaagde in de artikel-12-procedure)
Verweerder / gedaagde
Staat (rijkskas)
Verzoeker krijgt €7.873,45 vergoed uit de rijkskas; het verzoek om vergoeding van paralegalkosten werd niet-ontvankelijk verklaard.
- Kosten van een paralegal zijn niet vergoedbaar op grond van artikel 530 lid 2 Sv, ook niet als de paralegal werkt onder verantwoordelijkheid van een advocaat
- Alleen kosten van een bij de Nederlandse orde van advocaten ingeschreven advocaat komen voor vergoeding in aanmerking
- Het hof ziet geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad over de positie van paralegals
- Na afwijzing van een artikel-12-beklag zonder strafoplegging bestaat aanspraak op vergoeding van redelijke advocaatkosten
- Van het totaal verzochte bedrag van €9.809,45 wordt €7.873,45 toegewezen
Samenvatting
Een man uit Den Haag diende bij het gerechtshof Amsterdam een verzoek in om vergoeding van zijn advocaatkosten na een procedure die voor hem gunstig eindigde. De man was beklaagde geweest in een zogenoemde artikel-12-procedure — een bijzondere strafprocedure waarbij een burger klaagt over het uitblijven van vervolging. In mei 2025 wees het hof die klacht af, waardoor de zaak eindigde zonder dat aan de man een straf of maatregel werd opgelegd. Dat geeft hem in beginsel recht op vergoeding van zijn juridische kosten.
De man verzocht om een totaalbedrag van ruim €9.800, bestaande uit kosten voor de eigenlijke beklagprocedure en kosten voor de verzoekschriftprocedure. Een deel van de rekening was echter opgesteld voor werkzaamheden verricht door een zogenoemde paralegal — een juridisch medewerker die werkt onder verantwoordelijkheid van een advocaat, maar zelf geen advocaat is.
Juist over dat laatste punt ontstond discussie. Zijn advocaat voerde aan dat de werkzaamheden van de paralegal wél voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen, omdat die persoon niet zelfstandig optrad maar onder de verantwoordelijkheid — en daarmee het tuchtrecht — van een advocaat viel. Dat onderscheid maakt de zaak anders dan een eerder arrest van de Hoge Raad uit 2023, zo betoogde de verdediging. Subsidiair werd gevraagd om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen.
Het hof ging daar niet in mee. Volgens het hof biedt het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2023 een duidelijk kader: alleen kosten gemaakt door een advocaat die is ingeschreven bij de Nederlandse orde van advocaten kunnen worden vergoed op grond van artikel 530 van het Wetboek van Strafvordering. Dat een paralegal onder supervisie van een advocaat werkt, maakt dit niet anders. Het hof zag ook geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen.
Voor het gedeelte van de kosten dat wél door een advocaat is gemaakt, oordeelde het hof dat er gronden van billijkheid aanwezig zijn om een vergoeding toe te kennen. Het hof kende uiteindelijk een vergoeding toe van €7.873,45 — bestaande uit €7.193,45 voor de beklagprocedure en €680 voor de verzoekschriftprocedure zelf. Het verzoek voor zover het de paralegalkosten betreft, werd niet-ontvankelijk verklaard.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBOVE:2023:2875, Rechtbank Overijssel, 24-07-2023, 08-960010-20 (P)
Rechtbank Overijssel · Strafrecht
ECLI:NL:RBOVE:2023:2876, Rechtbank Overijssel, 24-07-2023, 08-960009-20 (P)
Rechtbank Overijssel · Strafrecht
ECLI:NL:RBZWB:2022:2598, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13-05-2022, AWB - 21 _ 3186
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:GHAMS:2017:5383, Gerechtshof Amsterdam, 20-12-2017, 15/139336-17
Gerechtshof Amsterdam · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
25 maart 2026
Instantie
Gerechtshof AmsterdamRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
000508-25
Procedure
Raadkamer
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:828