ECLI:NL:GHARL:2016:6449, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-08-2016, 200.110.515/01 — GHARL:2016:6449
Samenvatting
Zaak gevoegd met zaak 200.106.730/01. Eigenaar sluit overeenkomst met oliemaatschappij, waarbij de oliemaatschappij zich verplicht op een perceel een benzineverkooppunt te bouwen, waarna aan de eigenaar de keuze is hetzij zelf het benzineverkooppunt in exploitatie te nemen hetzij de oliemaatschappij het benzineverkooppunt te laten exploiteren. Enige tijd nadat de eigenaar volgens afspraak de bouwvergunning had aangevraagd en verkregen, sluit de eigenaar via een met een derde opgerichte vennootschap een overeenkomst met een derde. In die overeenkomst verplicht de derde zich op het perceel het benzineverkooppunt te bouwen en het perceel te huren. Ten tijde van het kort geding bij de kantonrechter is het door die derde opgerichte benzineverkooppunt nagenoeg klaar. De oliemaatschappij vordert in kort geding de eigenaar op straffe van een dwangsom te gebieden de bouwwerkzaamheden op het perceel te staken en gestaakt te houden. De kantonrechter wijst de vordering in kort geding toe. Het hof overweegt dat het gebod de bouwwerkzaamheden te staken een ordemaatregel is die is bedoeld om een situatie te creëren waarin de eigenaar zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst met de oliemaatschappij kan nakomen waartoe de eigenaar al eerder in kort geding was veroordeeld. In het algemeen heeft een eiser bij een dergelijke orde maatregel in kort geding alleen (spoedeisend) belang indien de gedaagde aan die veroordeling kan voldoen, zodat het door de eiser met de voorziening beoogde doel kan worden bereikt. In dit geval waren de bouwwerkzaamheden voor het benzineverkooppunt ten tijde dat de kantonrechter in kort geding vonnis wees al zover gevorderd dat een gebod tot staking van de bouwwerkzaamheden zonder zin was en niet tot het met de voorziening beoogde doel kon leiden. Daardoor heeft de oliemaatschappij bij haar voorziening geen spoedeisend belang. Het hof vernietigt het vonnis in kort geding van de kantonrechter en wijst de vordering van de oliemaatschappij alsnog af.
Betrokken advocaten
mr. F.F.P.M. Vermeer
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2025:14903, Rechtbank Den Haag, 30-07-2025, C/09/647405 / HA ZA 23-418
Rechtbank Den Haag · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:GHSHE:2025:258, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 04-02-2025, 200.331.488_01
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · Civiel Recht
ECLI:NL:RBMNE:2023:5693, Rechtbank Midden-Nederland, 01-11-2023, 546224
Rechtbank Midden-Nederland · Civiel Recht; Verbintenissenrecht
ECLI:NL:GHAMS:2023:3161, Gerechtshof Amsterdam, 22-08-2023, 200.299.904/01
Gerechtshof Amsterdam · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
9 augustus 2016
Instantie
Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenRechtsgebied
Civiel RechtZaaknummer
200.110.515/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2016:6449