Hof spreekt verdachte vrij van één inbraak, veroordeelt hem voor tweede — GHARL:2026:1842
woninginbraak / bewijswaardering DNA-sporen
Eiser / verzoeker
Openbaar Ministerie
Verweerder / gedaagde
Verdachte (geboren 1986)
Verdachte vrijgesproken van feit 1 (inbraak [plaats 1]) en veroordeeld voor feit 2 (inbraak [plaats 2]) tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden.
- DNA op verplaatsbaar object (steen) is onvoldoende daderspoor voor veroordeling bij inbraak feit 1
- Bloedsporen op niet-verplaatsbare objecten (raam, vensterbank) gelden als dadersporen en leiden tot veroordeling bij feit 2
- Verdachte legde geen verklaring af over aanwezigheid van zijn bloed in de woning, wat bijdraagt aan bewezenverklaring
- Vrijspraak van medeplegen wegens gebrek aan aanwijzingen voor betrokkenheid van anderen
- Hof vernietigt vonnis politierechter en legt lagere straf op vanwege gedeeltelijke vrijspraak
Samenvatting
Een man zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland stond terecht voor twee woninginbraken in de provincie Groningen, gepleegd in februari 2025. De politierechter in Groningen had hem in september 2025 voor beide inbraken veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf. In hoger beroep voor het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden pakte de zaak echter anders uit.
Het hof boog zich over twee afzonderlijke inbraken: één in een woning in een plaats in de gemeente [gemeente] begin februari 2025, en één in een woning in een andere gemeente, tussen 20 en 22 februari 2025. In beide gevallen was DNA-bewijs het belangrijkste element in het dossier.
Bij de eerste inbraak, in [plaats 1], werd een steen gevonden die vermoedelijk was gebruikt om een raam in te gooien. Op die steen zat een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen, waaronder DNA dat hoogstwaarschijnlijk van de verdachte afkomstig was. Het hof vond dit onvoldoende voor een veroordeling. De steen is een verplaatsbaar voorwerp, en er was niet vastgesteld wanneer, hoe en onder welke omstandigheden het DNA van de verdachte daarop terecht was gekomen. Daarmee kon niet worden uitgesloten dat het DNA op een geheel andere manier op de steen belandde. Het hof sprak de man vrij van deze inbraak.
Bij de tweede inbraak, in [plaats 2], lag de situatie wezenlijk anders. In en aan de woning waren drie bloedsporen aangetroffen: op glasscherven van de ingeslagen ruit en aan de binnenkant van het raamkozijn. DNA-onderzoek wees uit dat het bloed vrijwel zeker van de verdachte afkomstig was — de kans dat het van iemand anders was, bedroeg minder dan één op een miljard. Cruciaal was dat de bloedsporen zaten op niet-verplaatsbare objecten: het raam en de vensterbank. Het hof redeneerde dat de dader zich bij het inslaan van de ruit of het naar binnen klimmen aan de gebroken glasscherven had opengehaald en zo bloed had achtergelaten op de plek van de inbraak zelf.
De verdachte legde geen verklaring af — niet bij de politie, niet bij de politierechter en ook niet bij het hof — over hoe zijn bloed in die woning terecht was gekomen. Er was ook geen andere aanwijzing in het dossier die een alternatieve verklaring bood. Het hof concludeerde dat het niet anders kon zijn dan dat de verdachte de inbreker was.
Wel sprak het hof hem vrij van het 'medeplegen': er waren geen aanwijzingen dat hij de inbraak samen met anderen had gepleegd. De verdachte werd veroordeeld als enige dader.
Bij de inbraak in [plaats 2] werden tassen, een portemonnee met vierhonderd euro contant geld, sieraden, laptops, een Nintendo Switch met toebehoren, een huissleutel, een usb-stick en parfum gestolen. De bewoners troffen hun hele huis doorzocht aan, inclusief afgesloten kamers waarvoor de dader kennelijk de sleutels had gezocht.
Omdat het hof de verdachte vrijsprak van de eerste inbraak en hem alleen voor de tweede veroordeelde, legde het een lagere straf op dan de politierechter. Het hof vernietigde het vonnis en veroordeelde de man tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2025:26501, Rechtbank Den Haag, 23-12-2025, 09/757335-00
Rechtbank Den Haag · Strafrecht
ECLI:NL:RBOVE:2025:6063, Rechtbank Overijssel, 16-10-2025, 08-110930-22
Rechtbank Overijssel · Strafrecht
ECLI:NL:RBNNE:2025:4114, Rechtbank Noord-Nederland, 09-10-2025, 18-053330-25
Rechtbank Noord-Nederland · Strafrecht; Materieel Strafrecht
ECLI:NL:RBNNE:2025:3373, Rechtbank Noord-Nederland, 07-08-2025, 17-082021-04
Rechtbank Noord-Nederland · Strafrecht; Penitentiair Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
26 maart 2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenRechtsgebied
Strafrecht; StrafprocesrechtZaaknummer
21-003804-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:1842