Rechter wijst omgangsverzoek vader af na jaren falende jeugdhulp — GHARL:2026:1925
omgangsregeling / contactherstel ouder en kind / jeugdhulpverlening
Eiser / verzoeker
De moeder (verzoekster principaal hoger beroep)
Verweerder / gedaagde
De vader (verzoeker incidenteel hoger beroep)
Het hof wijst het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling met zijn dochter volledig af.
- Het hof wijst het verzoek van de vader tot omgang af omdat adequate jeugdhulpverlening niet van de grond komt en een gedwongen contactregeling zonder hulp strijdig is met de zwaarwegende belangen van de 16-jarige dochter.
- Het hof oordeelt dat het systeem van jeugdhulp in deze zaak heeft gefaald en spreekt dat beschamend en verdrietig te vinden.
- De moeder wordt verweten onvoldoende actie te hebben ondernomen om hulpverlening op gang te brengen, ondanks herhaalde aanspraken door het hof.
- Het verbod van reformatio in peius geldt niet of in mindere mate in zaken over gezag en omgang: het belang van het kind prevaleert boven procesrechtelijke waarborgen.
- De raad voor de kinderbescherming overweegt een beschermingsonderzoek te starten nu de vrijwillige route is vastgelopen.
Samenvatting
Een vader die al jaren probeert contact te herstellen met zijn dochter, heeft definitief nul op het rekest gekregen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De zaak sleept al jarenlang en de laatste echte ontmoeting tussen vader en dochter vond bijna twee jaar geleden plaats — en daarvoor hadden ze ook al lange tijd geen contact.
Het hof had eerder herhaaldelijk geprobeerd om hulpverlening op gang te brengen die het contact tussen vader en dochter kon herstellen. In een tussenbeschikking van april 2025 werd een voorlopige zorgregeling vastgesteld, waarbij via een hulpverleningsinstelling zou worden toegewerkt naar minimaal één ontmoeting per maand. Maar ook die beslissing bracht geen beweging. De instelling sloot het dossier omdat de moeder zich niet aanmeldde, de raad voor de kinderbescherming pakte de zaak na de tussenbeschikking niet meer op, en de hulpverlening bleef uit.
Het hof spreekt in harde bewoordingen over het falende jeugdhulpsysteem: het lukt maar niet om te doen wat in het belang van het kind noodzakelijk is. Tegelijkertijd richt het hof kritiek op de opstelling van de moeder, die naar het oordeel van het hof onvoldoende actie heeft ondernomen om de benodigde hulpverlening van de grond te krijgen. De moeder stelde dat het voor haar ophoudt als de dochter — inmiddels 16 jaar oud — niet wil meewerken. Ze voerde ook aan dat haar dochter sinds haar zestiende zelf moet tekenen voor jeugdhulp. Het hof noemt dat een gelegenheidsargument: ook toen de dochter 14 was, is het al niet gelukt.
De dochter zelf schreef eigener beweging een brief aan het hof, waarin zij opnieuw aangeeft geen contact met haar vader te willen. Het hof erkent dat zij, als 16-jarige, zich niet laat dwingen en dat het tegen haar zin opleggen van contact de weerstand mogelijk alleen maar vergroot. De vader gaf ter zitting aan zijn dochter ook niet te willen forceren en hoopt dat zij ooit zelf het initiatief neemt.
De raad voor de kinderbescherming adviseerde dat het vastleggen van een contactregeling zonder adequate hulpverlening niet in het belang van het kind is. Het hof volgt dat standpunt. Zonder hulpverlening heeft een gedwongen omgangsregeling geen zin, maar vrijwillige hulpverlening komt niet van de grond omdat de dochter er niet voor tekent. Daarmee loopt de weg in het vrijwillige kader dood, aldus het hof. De raad gaf ter zitting aan een beschermingsonderzoek te overwegen.
Een opvallend juridisch punt: doordat de vader zelf incidenteel hoger beroep had ingesteld, belandde hij uiteindelijk in een juridisch nadeliger positie dan wanneer hij dat niet had gedaan. Normaal gesproken is dat niet toegestaan — het zogeheten verbod van reformatio in peius. Maar in zaken over omgang en gezag kan de rechter het belang van het kind laten prevaleren boven procesrechtelijke waarborgen. Het hof maakt van die mogelijkheid gebruik.
Uiteindelijk vernietigt het hof de eerdere beslissing van de rechtbank Midden-Nederland en wijst het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling volledig af.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:GHARL:2025:6793, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21-10-2025, 200.357.279/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:GHARL:2025:5087, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 12-08-2025, 200.353.090/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:GHARL:2025:2729, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 01-05-2025, 200.348.069/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:GHARL:2024:4581, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 09-07-2024, 200.327.371/01
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
31 maart 2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenRechtsgebied
Civiel Recht; Personen- En FamilierechtZaaknummer
200.333.892/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:1925
Investeer in obligaties met hypothecaire zekerheden
- 6% vast rendement
- Stevige zekerheden
- Kwartaalbetalingen
- Vanaf €30.000
Beleggen brengt risico's met zich mee. U kunt uw inleg verliezen.