Hof spreekt verdachte vrij van drie hennepkwekerijen in Duitsland — GHARL:2026:1984
drugsdelicten / extraterritoriale rechtsmacht / hennepteelt
Eiser / verzoeker
Openbaar Ministerie
Verweerder / gedaagde
Verdachte
Verdachte vrijgesproken van drie feiten wegens ontbrekende Nederlandse rechtsmacht; voor de twee resterende feiten (hennepkwekerijen in Nederland) veroordeeld, met vernietiging van het vonnis van de rechtbank.
- Het hof verklaart het OM niet-ontvankelijk voor feiten 1, 2 en 3 (hennepkwekerijen in Duitsland) wegens ontbrekende Nederlandse rechtsmacht
- Territorialiteitsbeginsel (art. 2 Sr) biedt geen grondslag omdat er geen uitvoeringshandelingen in Nederland zijn vastgesteld voor de Duitse locaties
- Actief personaliteitsbeginsel (art. 7 lid 3 Sr jo. art. 86b Sr) is niet van toepassing omdat verdachte ten tijde van de vervolgingsbeslissing niet vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland verbleef — Duitse detentie (2015-2019) onderbrak dit verblijf
- Voor feiten 4 en 5 (hennepkwekerijen in Nederland) heeft het hof wel rechtsmacht en spreekt het een veroordeling uit
- Vordering van de benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard
Samenvatting
Een man zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland stond terecht voor het runnen van meerdere grote hennepkwekerijen, verspreid over verschillende locaties in Nederland en Duitsland. In totaal ging het om duizenden hennepplanten en stekken. De rechtbank Noord-Nederland had hem in december 2023 voor alle vijf ten laste gelegde feiten veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf.
In hoger beroep draaide de zaak grotendeels om een principiële juridische vraag: heeft de Nederlandse rechter wel de bevoegdheid om te oordelen over strafbare feiten die in Duitsland zijn gepleegd? De verdediging, gevoerd door mr. E. van Reydt, betwistte dit voor drie van de vijf feiten. Die kwekerijen bevonden zich op Duitse locaties, en er was volgens de raadsman geen bewijs dat de verdachte daarvoor ook in Nederland handelingen had verricht.
Het hof onderzocht twee mogelijke grondslagen voor Nederlandse rechtsmacht. De eerste is het territorialiteitsbeginsel: Nederland mag vervolgen als het strafbare feit op Nederlands grondgebied is gepleegd. De tweede is het zogenoemde actief personaliteitsbeginsel: ook Nederlanders en daarmee gelijkgestelde vreemdelingen kunnen in Nederland worden vervolgd voor feiten gepleegd in het buitenland.
Voor de drie Duits gesitueerde kwekerijen (feiten 1, 2 en 3) kon het hof geen uitvoeringshandelingen in Nederland vaststellen. Het territorialiteitsbeginsel bood daarmee geen grondslag voor vervolging. De vraag was vervolgens of de verdachte als vreemdeling kon worden gelijkgesteld met een Nederlander op grond van artikel 86b van het Wetboek van Strafrecht. Dat vereist dat iemand op het moment van de vervolgingsbeslissing minstens vijf jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.
Dat was bij deze verdachte niet het geval. Uit zijn registratiegegevens bleek dat hij weliswaar enige tijd in Nederland ingeschreven stond, maar dat hij van eind 2015 tot medio 2019 in Duitsland gedetineerd was geweest. Die detentieperiode onderbrak een eventueel onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland. Ten tijde van de vervolgingsbeslissing in 2021 voldeed hij dus niet aan de vijfjaarseis. Het hof volgde daarmee het standpunt van de verdediging en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk voor de drie feiten die betrekking hadden op de Duitse locaties.
Voor de twee overige feiten (feiten 4 en 5), die betrekking hadden op hennepkwekerijen in Nederland, had de rechter wel gewoon rechtsmacht. Die feiten achtte het hof bewezen.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en deed opnieuw recht. Voor de twee in Nederland gepleegde feiten werd de verdachte veroordeeld. De vordering van de benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard. Over de precieze strafmaat voor de resterende feiten spreekt het arrest zich verder uit, maar het hof legde een lagere straf op dan de door de advocaat-generaal gevorderde achttien maanden, nu drie van de vijf feiten buiten de rechtsmacht van de Nederlandse rechter vielen.
Betrokken advocaten
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBGEL:2026:402, Rechtbank Gelderland, 13-01-2026, 335003.22
Rechtbank Gelderland · Strafrecht
ECLI:NL:RBAMS:2025:11030, Rechtbank Amsterdam, 11-12-2025, 13.085228.21 (2025)
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht; Materieel Strafrecht
ECLI:NL:GHARL:2025:7544, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27-11-2025, 21-005654-21
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Strafrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:18913, Rechtbank Den Haag, 15-10-2025, 09/837371-19, 09/011074-23 en 99/000349-23
Rechtbank Den Haag · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
3 april 2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenRechtsgebied
Strafrecht; StrafprocesrechtZaaknummer
21-000077-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:1984