Militair krijgt lagere straf voor jarenlange drugshandel — GHARL:2026:1987
militair strafrecht / drugshandel / Opiumwet / Wet wapens en munitie
Eiser / verzoeker
Openbaar Ministerie (advocaat-generaal)
Verweerder / gedaagde
Verdachte (militair)
Verdachte veroordeeld tot 5 maanden gevangenisstraf (was 8 maanden bij de rechtbank) en het in beslag genomen bedrag van €6.055 werd verbeurd verklaard.
- Hof verlaagt gevangenisstraf van 8 naar 5 maanden vanwege zwaartepunt bij softdrugshandel (3-MMC)
- Hof acht onvoorwaardelijke gevangenisstraf onvermijdelijk ondanks blanco strafblad, vanwege lange duur en omvang van de drugshandel
- Militaire status van verdachte werkt strafverzwarend: schending van integriteit en vertrouwen in de krijgsmacht
- Geldbedrag van €6.055 verbeurd verklaard als verkregen uit strafbare feiten
- Bewezen: handel in 3-MMC (lijst II), handel en bezit harddrugs (lijst I), en bezit van twee nabootsingen van vuurwapens
Samenvatting
Een militair heeft jarenlang drugs verkocht vanuit zijn woonplaats. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verlaagde in hoger beroep zijn straf aanzienlijk ten opzichte van het vonnis van de rechtbank.
De man handelde van eind 2021 tot april 2024 voornamelijk in 3-MMC, een softdrug. Daarnaast verkocht hij harddrugs zoals cocaïne, XTC, MDMA en 2C-B en had hij die ook in bezit. De handel in harddrugs liep terug tot oktober 2019. Bij zijn aanhouding op 2 april 2024 werden ruim 285 gram MDMA en bijna een gram cocaïne bij hem aangetroffen, samen met twee nepvuurwapens die zo sterk op echte pistolen — een Colt en een Glock — leken dat ze geschikt waren voor bedreiging.
Het hof rekende het de verdachte zwaar aan dat hij als militair handelde in strijd met de kernwaarden van de krijgsmacht. Van militairen worden integriteit, discipline en betrouwbaarheid verwacht. Door drugs te handelen en te gebruiken ondermijnde hij het vertrouwen in de krijgsmacht en de operationele inzetbaarheid van het leger, aldus het hof.
De rechtbank had de man eerder veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf. In hoger beroep vroeg zijn advocaat om een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf en geldboete, mede omdat het zwaartepunt van de zaak zou liggen bij de softdrugshandel. De advocaat-generaal wilde het vonnis van de rechtbank bevestigd zien.
Het hof ging mee in de redenering dat de nadruk op softdrugs lag, maar vond een volledig voorwaardelijke straf onvoldoende gezien de ernst en de lange duur van de feiten. De verdachte heeft geen strafblad en het hof erkende dat een gevangenisstraf grote gevolgen voor hem heeft, maar achtte een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf onvermijdelijk. Het eerder in beslag genomen geldbedrag van 6.055 euro werd verbeurd verklaard, omdat het hof oordeelde dat dit geld afkomstig was uit de drugshandel.
Het hof veroordeelde de verdachte uiteindelijk tot vijf maanden gevangenisstraf — drie maanden minder dan de rechtbank had opgelegd.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBDHA:2026:1131, Rechtbank Den Haag, 27-01-2026, 09/336639-25
Rechtbank Den Haag · Strafrecht
ECLI:NL:RBAMS:2025:7440, Rechtbank Amsterdam, 09-10-2025, 13-220179-25
Rechtbank Amsterdam · Strafrecht; Europees Strafrecht
ECLI:NL:RVS:2025:4385, Raad van State, 15-09-2025, 202407583/1/A2
Raad van State · Bestuursrecht
ECLI:NL:RBDHA:2025:17889, Rechtbank Den Haag, 09-09-2025, 09-147626-25
Rechtbank Den Haag · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
2 april 2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
21-001561-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:1987