Man krijgt €26.000 vergoeding bij verdeling huwelijksvermogen — GHARL:2026:897
echtscheiding / verdeling huwelijksgemeenschap / vergoedingsrechten
Eiser / verzoeker
de vrouw (verzoekster in hoger beroep)
Verweerder / gedaagde
de man (verweerder tevens incidenteel appellant)
Het hof kent de man een vergoedingsrecht van € 26.000 toe uit de huwelijksgemeenschap, maar wijst zijn hogere claims af en verklaart hem niet-ontvankelijk in zijn aanvullende verzoek.
- Man slaagt niet in bewijs dat geschonken € 50.000 is aangewend voor aankoop echtelijke woning
- Aanvullende claim van ruim € 107.000 op basis van schenking uit 2014 wordt geblokkeerd wegens schending van de twee-conclusieregel
Samenvatting
Een echtpaar dat in scheiding ligt, streed voor het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de verdeling van hun huwelijksvermogen. Het draaide met name om de vraag hoeveel geld de man terugkrijgt uit de gezamenlijke woning, omdat hij bij de aankoop eigen geld had ingebracht afkomstig van zijn ouders.
De man claimde dat zijn ouders destijds niet alleen een schenking van € 26.000 hadden gedaan, maar ook een bedrag van € 50.000 via een zogenoemde schuldigerkenning had bijgedragen aan de financiering van de woning. Als dat zou kloppen, zou hij recht hebben op een hogere vergoeding uit de boedel. Het hof had de man eerder de gelegenheid gegeven dit te bewijzen, onder meer via getuigenverhoren.
Drie getuigen werden gehoord: een notaris, een belastingadviseur en de vader van de man. Uit de nota van afrekening van de notaris bleek weliswaar dat de ouders bij de overdracht van de woning € 25.000 hadden bijbetaald, maar het hof kon niet vaststellen dat dit bedrag afkomstig was uit de eerder geschonken € 50.000. Bovendien bleef die schuldigerkenning van € 50.000 jarenlang terugkomen in de belastingaangiften van zowel de ouders als de man zelf, wat er juist op wijst dat het geld nooit daadwerkelijk is besteed aan de woning. De man erkende in zijn eigen akte zelfs impliciet dat de schuldigerkenning nog steeds bestaat. Het hof concludeerde dan ook dat de man niet in zijn bewijs was geslaagd.
Tijdens de procedure probeerde de man ook nog een nieuwe claim in te dienen. Hij stelde dat uit het getuigenverhoor van de belastingadviseur nieuwe informatie naar voren was gekomen over een schenking van € 50.000 in 2014, waarbij een uitsluitingsclausule van toepassing zou zijn. Op basis daarvan meende hij recht te hebben op een aanvullend vergoedingsrecht van ruim € 107.000. Het hof blokkeerde deze poging echter op procedurele gronden: de zogenoemde twee-conclusieregel bepaalt dat partijen in hoger beroep hun verzoeken en bezwaren tijdig en volledig moeten indienen, en niet pas in een later stadium met nieuwe grieven mogen komen.
Het hof oordeelde dat de schenking uit 2014 al jaren bekend was bij de man en dat hij de bijbehorende akte ook veel eerder had kunnen inbrengen. Van een echte uitzondering op de procedurele regel was geen sprake. De man werd daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn aanvullende verzoek.
Daarnaast merkte het hof ten overvloede op dat het verzoek ook inhoudelijk zou zijn afgewezen. Voor de berekening van een vergoedingsrecht is onder meer de waarde van de woning op het moment van de schenking nodig, maar die was niet bekend. Bovendien klopte de door de man ingediende schenkingsakte uit 2014 niet met de rest van zijn verhaal: er werd verwezen naar een afzonderlijke geldlening van € 50.000, die nergens eerder in het dossier was terug te vinden.
Uiteindelijk stelde het hof vast dat de man recht heeft op teruggave van € 26.000 uit de ontbonden huwelijksgemeenschap, het bedrag dat zijn ouders in 2010 schonken. Hogere claims werden afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, wat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:GHARL:2024:1320, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22-02-2024, 200.336.245/03
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBGEL:2024:9854, Rechtbank Gelderland, 26-01-2024, C/05/427003 / FA RK 23-3453
Rechtbank Gelderland · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
ECLI:NL:RBDHA:2022:15360, Rechtbank Den Haag, 26-10-2022, NL22.14618
Rechtbank Den Haag · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:GHARL:2022:8079, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20-09-2022, 200.313.168
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Civiel Recht; Personen- En Familierecht
Gegevens
Datum uitspraak
17 februari 2026
Instantie
Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenRechtsgebied
Civiel Recht; Personen- En FamilierechtZaaknummer
200.348.492
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:897