Juristi.nl

ECLI:NL:GHDHA:2025:2113, Gerechtshof Den Haag, 08-10-2025, 200.346.352/01 — GHDHA:2025:2113

Samenvatting

Partijen zijn eerst gehuwd voor de Nederlandse wet en sluiten daarna Islamitisch huwelijk. Voor partijen geldt de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen. Als de wens van partijen was geweest dat de bruidsgave van de man een privé verplichting zou zijn ten opzichte van de vrouw hadden partijen dit staande huwelijk met elkaar dienen overeen te komen bij huwelijkse voorwaarden. Nu zij dit niet hebben gedaan staat tegenover de mogelijke vordering van de vrouw een mogelijke verplichting van de man, deze vallen dus tegen elkaar weg (zie ook ECLI:NL:GHARL:2021:4341). Gezien het debat van partijen kwalificeert het hof de mogelijke bruidsgave niet als een schenking maar als een religieus verankerde verplichting. Voorts is er naar het oordeel van het hof naar maatschappelijke normen bezien geen sprake van een verknochte vordering inzake de bruidsgave, dan wel van een verknochte schuld inzake de bruidsgave. Naar het oordeel van het hof is in deze de bruidsgave niet zo persoonlijk dat deze buiten de gemeenschap valt.

Betrokken advocaten

mr. T. Kocabas

verweerder

KOCABAS & GULER ADVOCATEN, ZOETERMEER

mr. A.K. Tosun

verweerder

K�se Advocaten, ROTTERDAM

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

8 oktober 2025

Zaaknummer

200.346.352/01

Procedure

Hoger beroep

ECLI

ECLI:NL:GHDHA:2025:2113

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

GHDHA:2026:457
Gerechtshof Den Haag·25 mrt 2026
Civiel Recht; Personen- En Familierecht
GHDHA:2026:491
Gerechtshof Den Haag·17 mrt 2026
Civiel Recht; Personen- En Familierecht
GHDHA:2026:504
Gerechtshof Den Haag·17 mrt 2026
Civiel Recht; Personen- En Familierecht
GHDHA:2026:455
Gerechtshof Den Haag·11 mrt 2026
Civiel Recht; Personen- En Familierecht
GHDHA:2026:478
Gerechtshof Den Haag·11 mrt 2026
Civiel Recht; Personen- En Familierecht