ECLI:NL:GHDHA:2026:395, Gerechtshof Den Haag, 24-03-2026, 200.339.040/01 — GHDHA:2026:395
Samenvatting
ING is kredietovereenkomsten aangegaan met vennootschappen waarvan appellante (een natuurlijk persoon) indirect medeaandeelhouder en -bestuurder was. Appellante heeft zich tot € 150.000,- voor deze kredieten borg gesteld. ING spreekt haar in deze procedure hierop aan voor een bedrag van € 100.000,-. Appellante stelt de borgakte niet te hebben getekend of althans te hebben gedwaald bij het aangaan ervan, dan wel een verrekenbare schadeclaim op ING te hebben wegens schending van haar zorgplicht. Al deze verweren falen evenwel. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank, die de vordering van ING had toegewezen.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:RBAMS:2025:7638, Rechtbank Amsterdam, 30-09-2025, 775299
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:RBAMS:2025:6248, Rechtbank Amsterdam, 26-08-2025, C/13/774140 / KG ZA 25-663
Rechtbank Amsterdam · Civiel Recht
ECLI:NL:RBGEL:2024:408, Rechtbank Gelderland, 29-01-2024, C/05/429697 KG ZA 23-471
Rechtbank Gelderland · Civiel Recht
ECLI:NL:RBZWB:2023:7423, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11-10-2023, C/02/412426 / KG ZA 23-377
Rechtbank Zeeland-West-Brabant · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
24 maart 2026
Instantie
Gerechtshof Den HaagRechtsgebied
Civiel Recht; VerbintenissenrechtZaaknummer
200.339.040/01
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHDHA:2026:395