ECLI:NL:GHSHE:2024:3084, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 03-10-2024, 20-000687-21 — GHSHE:2024:3084
Samenvatting
Seksuele handelingen met 7-jarig meisje, die mede hebben bestaan uit het binnendringen van haar lichaam, en mishandeling bewezenverklaard. Art. 244 (oud) Sr en art. 300 Sr. Vrijspraak van mishandeling van een 2-jarig meisje. Het hof heeft beide zaken gevoegd behandeld. In de zaak van het 2-jarige meisje (parketnummer 01-008965-22) kan het hof niet boven redelijke twijfel vaststellen dat het letsel van het meisje alleen door een niet-accidentele oorzaak kan zijn veroorzaakt. De door de deskundige arts gerapporteerde bewijskracht betekent dat het bij het slachtoffer geconstateerde letsel slechts ‘iets beter’ kan worden verklaard indien aangenomen wordt dat het letsel aan haar is toegebracht dan als aangenomen wordt dat sprake is geweest van een ‘ongeluk’. Het aannemen van een scenario waarin sprake is geweest van opzettelijk handelen aan de zijde van de verdachte zou een hoog speculatief karakter hebben. De verdachte wordt daarom in de zaak met parketnummer 01-008965-22 vrijgesproken van de gehele tenlastelegging. In de zaak van het 7-jarige meisje (parketnummer 02-282554-19) komt het hof wel tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde. In die zaak speelt art. 342 lid 2 Sv een rol, te weten dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige (unus testis). Het hof acht in deze zaak voldoende steunbewijs aanwezig, in het bijzonder de spermasporen van de verdachte op een My Little Pony deken, aan welke deken in hoger beroep nader forensisch onderzoek is verricht. Het hof heeft de betrouwbaarheid van de verklaring van het minderjarige slachtoffer onderzocht en merkt deze aan als betrouwbaar. Het hof heeft tevens moeten beoordelen of de verklaring van het slachtoffer voor het bewijs mag worden gebruikt omdat de verdediging niet in staat is geweest haar effectief te ondervragen terwijl het gaat om een belastende verklaring. Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad en uitspraken van het EHRM hierover dient het hof na te gaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. In gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen zijn voor beantwoording van de vraag of het proces als geheel eerlijk is verlopen van belang (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Het hof stelt op grond van een onderzoek door een psycholoog vast dat er een goede reden was om af te zien van het horen van het minderjarige slachtoffer. Daarnaast is het hof van oordeel dat aan de verdediging gedurende het proces voldoende compensatie is geboden voor het ontbreken van een effectieve mogelijkheid tot ondervraging van haar. Als compenserende maatregel is onder meer de moeder van het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep als getuige in aanwezigheid van de verdediging gehoord en is de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer onderzocht door een deskundige. Alles overziend, komt het hof tot de slotsom dat het gebruik van de verklaring van het niet in aanwezigheid van de verdediging ondervraagde slachtoffer in overeenstemming is met het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en dat de procedure in haar geheel voldoet aan dat door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht. Het hof legt aan de verdachte - rekening houdend met een schending van de redelijke termijn - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 44 maanden op. Ook is de gevangenneming van de verdachte bevolen. Verder is aan het slachtoffer een schadevergoeding toegekend van € 11.512,85, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De ouders van het slachtoffer zijn in hun vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard, omdat het Wetboek van Strafvordering aan ouders (in beginsel) niet de ruimte biedt om door henzelf geleden schade in het strafproces te vorderen in verband met een tegen hun kind gepleegd delict. In deze zaak is geen sprake van shockschade en ook niet van een situatie waarin een vergoeding voor affectieschade kan worden gevorderd.
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:GHSHE:2025:3568, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 12-12-2025, 20-001029-24
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · Strafrecht
ECLI:NL:GHSHE:2025:1752, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 24-06-2025, 20-000469-19
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · Strafrecht
ECLI:NL:GHSHE:2025:1725, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 20-06-2025, 20-003017-21
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · Strafrecht
ECLI:NL:GHSHE:2025:533, Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 27-02-2025, bijz.zk.nr. 000688-24
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
3 oktober 2024
Instantie
Gerechtshof 's-HertogenboschRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
20-000687-21
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHSHE:2024:3084