ECLI:NL:HR:2023:982, Hoge Raad, 27-06-2023, 22/00387 — HR:2023:982
Samenvatting
Vergismoord in parkeergarage in Amsterdam. Beschieting van auto waarbij bestuurder om het leven is gekomen, zijn partner zwaargewond is geraakt en hun tweejarig dochtertje dat op achterbank zat ongedeerd is gebleven. Medeplegen van (poging) moord op inzittenden auto (art. 289 Sr) en opzetheling van vluchtauto’s (art. 416 Sr). Vrijspraak eerste aanleg. 1. Bewijsklacht. Kan uit bewijsvoering worden afgeleid dat verdachte één van de schutters was? 2. Gebruik voor bewijs van verklaring bedreigde getuige, art. 226a en 344a Sv. Ondervragingsrecht, art. 6 EVRM. 3. Maximale duur gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. 4. Schriftuur benadeelde partijen (ouders van dodelijk slachtoffer) te laat ingediend. Ad 1. ’s Hofs oordeel dat uit vastgestelde f&o, in onderlinge samenhang bezien, kan worden afgeleid dat verdachte één van de twee schutters was, is niet onbegrijpelijk. Ad 2. Of een getuige kan worden aangemerkt als bedreigde getuige a.b.i. art. 226a Sv wordt beoordeeld door RC en niet door zittingsrechter. Zittingsrechter beoordeelt of, als hij voor bewijs gebruikmaakt van resultaten van in art. 226d Sv bedoeld verhoor, dat gebruik in overeenstemming is met recht op eerlijk proces. Bij die beoordeling wordt ook betrokken of aan wijze van totstandkoming dan wel aan inhoud van bevel van RC of van in art. 226b Sv bedoelde rechter dat identiteit van getuige verborgen wordt gehouden, fundamentele gebreken kleven en, zo ja, of (mede) als gevolg daarvan gebruik van resultaten van verhoor in strijd komt met recht op eerlijk proces (vgl. HR:2006:AU5471). In ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel dat zich zulke fundamentele gebreken niet hebben voorgedaan, ligt besloten dat hof ervan uit kon gaan dat een goede reden bestaat dat identiteit van getuige verborgen wordt gehouden. Klacht dat hof zelf had moeten beoordelen of aan getuige terecht status van bedreigde getuige is verleend, faalt. ’s Hofs oordeel dat bewijs niet uitsluitend of in beslissende mate wordt gegrond op verklaring van persoon wiens identiteit niet blijkt a.b.i. art. 344a.1 Sv is, gelet op vastgestelde f&o, evenmin onbegrijpelijk. Hof heeft verder bij oordeel dat verklaring van bedreigde getuige voor bewijs kan worden gebruikt, betrokken dat verdediging voorafgaand aan verhoor schriftelijk vragen heeft opgegeven, dat alle opgegeven vragen door RC zijn gesteld en door getuige zijn beantwoord en dat, v.zv. antwoorden niet in p-v verhoor zijn opgenomen, dit nodig was om identiteit van getuige verborgen te houden. Verdediging heeft geen gebruik gemaakt van gelegenheid nadere schriftelijke vragen op te geven. RC heeft betrouwbaarheid van getuige onderzocht en daarover rekenschap afgelegd. Verder heeft hof zelfstandig betrouwbaarheid van getuige onderzocht in samenhang met overig bewijsmateriaal en hebben verdachte en raadsman aantal medeverdachten als getuige kunnen ondervragen. ’s Hofs oordeel dat procedure in haar geheel voldoet aan recht op eerlijk proces getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 3. HR ambtshalve: Duur van gijzeling beloopt ten hoogste 1 jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder 1 jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR:2022:714). HR bepaalt dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van 7, 33 en 320 dagen kan worden toegepast. Ad 4. HR slaat op schriftuur b.p. geen acht i.v.m. overschrijding termijn voor indiening. Volgt verwerping. Samenhang met 22/00369 en 22/00386.
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:HR:2026:482, Hoge Raad, 24-03-2026, 24/04507
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2025:1702, Hoge Raad, 18-11-2025, 25/00055
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2025:793, Hoge Raad, 27-05-2025, 22/04459
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2025:94, Hoge Raad, 21-01-2025, 22/02939
Hoge Raad · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 juni 2023
Instantie
Hoge RaadRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
22/00387
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2023:982