ECLI:NL:HR:2024:1361, Hoge Raad, 08-10-2024, 22/01168 — HR:2024:1361
Samenvatting
Feitelijk leiding geven aan medeplegen oplichting begaan door rechtspersoon (meermalen gepleegd), art. 326.1 Sr. 1. Procesafspraken. Was hof gehouden zich aan te sluiten bij de tussen OM en verdediging gemaakte procesafspraken? 2. Vorderingen benadeelde partijen. Kon hof oordelen dat vorderingen niet vallen onder schuldsaneringsregeling natuurlijke personen? Belang bij cassatie? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2022:1252 m.b.t. procesafspraken in strafzaken en afdoeningsvoorstellen in Nederlands strafprocesrecht. Hof heeft geoordeeld dat het zich niet aansluit bij de door OM en verdediging gemaakte procesafspraken. Daarbij heeft hof betrokken dat het volgen van procesafspraken niet zou leiden tot zekerheid op korte termijn voor b.p.’s door onherroepelijke uitspraak over hun vorderingen, omdat afdoening van hun vorderingen daarin niet is betrokken en verdediging heeft aangegeven beroep in cassatie te zullen instellen als hof zou oordelen dat b.p.’s ontvankelijk zijn in hun vorderingen, wat meebrengt dat deze afspraken ook niet leiden tot snelle afdoening van zaak waarmee efficiënte rechtspleging zou zijn gediend. Ook heeft hof overwogen dat straftoemeting zoals voorgesteld in procesafspraken te zeer afwijkt van wat hof passend en geboden acht. Dat oordeel getuigt, gelet op hiervoor weergegeven arrest van HR en in het bijzonder wat daarin is overwogen over zelfstandige verantwoordelijkheid van rechter, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Ad 2. Verdachte heeft onvoldoende belang bij klacht over ’s hofs beslissing m.b.t. de door b.p.’s gevorderde schade, nu niet wordt geklaagd over schadevergoedingsmaatregel die telkens voor dezelfde feiten en voor gelijk bedrag is opgelegd als toegewezen vorderingen van b.p.’s. Vernietiging door HR van ‘s hofs tot toewijzing van vorderingen b.p.’s voor wat betreft gevorderde schade zou er immers toe leiden dat verplichting voor verdachte tot betaling van de voor dezelfde feiten en voor gelijk bedrag opgelegde schadevergoedingsmaatregel in stand blijft, in aanmerking genomen dat klacht zich niet keert tegen materiële verschuldigdheid van schade (vgl. HR:2021:1932) en dat toepassing van schuldsaneringsregeling niet in de weg staat aan oplegging door strafrechter van schadevergoedingsmaatregel, ongeacht of door beëindiging van schuldsaneringsregeling de onderliggende vordering tot schadevergoeding niet langer afdwingbaar is. Volgt verwerping. Samenhang met 22/01311 en met 22/01355 (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, verdachte n-o).
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:HR:2026:489, Hoge Raad, 24-03-2026, 24/01023
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2025:805, Hoge Raad, 27-05-2025, 23/00607
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2025:462, Hoge Raad, 01-04-2025, 23/01305
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2025:173, Hoge Raad, 04-02-2025, 24/03154
Hoge Raad · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
8 oktober 2024
Instantie
Hoge RaadRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
22/01168
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2024:1361