Juristi.nl
ECLI:NL:HR:2025:1490Strafrecht

ECLI:NL:HR:2025:1490, Hoge Raad, 07-10-2025, 24/01043 — HR:2025:1490

Samenvatting

Oplichting m.b.t. niet verrichte schilderswerkzaamheden (art. 326.1 Sr) door aanbetalingen te laten doen en te doen alsof verf werd gekocht en huis zou worden geverfd. Vordering benadeelde partij (particulier), schade door niet-terugbetaalde aanbetalingen. Levert eerste aanbetaling waarvan hof heeft vrijgesproken wegens ontbreken van oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling rechtstreekse schade op van bewezenverklaarde oplichting? Hof heeft vrijgesproken van tlgd. v.zv. inhoudende dat verdachte heeft gezegd dat werkzaamheden pas konden beginnen na het overmaken van aanbetaling van €500, nu uit dossier niet blijkt dat verdachte al op dat moment oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling had. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:793 m.b.t. rechtstreekse schade. Hof heeft vordering b.p. toegewezen tot € 2.820. Dit schadebedrag omvat zowel 2 aanbetalingen voor verf a.g.v. bewezenverklaarde oplichtingsgedragingen ter hoogte van samen € 2.320 als daaraan voorafgaande eerste aanbetaling van € 500 na acceptatie van offerte voor te verrichten werkzaamheden. Oordeel hof dat voldoende verband bestaat tussen het met eerste aanbetaling geleden verlies en bewezenverklaard handelen van verdachte, is niet z.m. begrijpelijk. Hof heeft immers niet vastgesteld of en, zo ja, op welke manier het doen van die eerste aanbetaling in relatie staat tot de in bewezenverklaring genoemde gedragingen van verdachte die hebben geleid tot 2 aanbetalingen voor verf. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. vordering b.p. en oplegging van schadevergoedingsmaatregel.

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

7 oktober 2025

Instantie

Hoge Raad

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

24/01043

Procedure

Cassatie

ECLI

ECLI:NL:HR:2025:1490

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

HR:2026:559
Hoge Raad·7 april 2026
Strafrecht
HR:2026:555
Hoge Raad·7 april 2026
Strafrecht
HR:2026:561
Hoge Raad·7 april 2026
Strafrecht