Juristi.nl
ECLI:NL:HR:2025:1681Strafrecht

ECLI:NL:HR:2025:1681, Hoge Raad, 25-11-2025, 24/00891 — HR:2025:1681

Samenvatting

Belaging (meermalen gepleegd), art. 285b.1 Sr. Vorderingen benadeelde partijen en oplegging schadevergoedingsmaatregelen, vergoeding van buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand als materiële schade. Moeten kosten van rechtsbijstand worden aangemerkt als proceskosten waarover rechter o.g.v. art. 532 Sv beslissing moet nemen? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:793 m.b.t. vermogensschade en proceskosten. Door b.p. gevorderde buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand komen o.g.v. art. 6:96.2 BW voor vergoeding in aanmerking v.zv.: (i) condicio sine qua non-verband bestaat tussen onrechtmatige gedraging van verdachte en kosten; (ii) kosten in zodanig verband staan met die gebeurtenis dat zij, mede gezien aard van aansprakelijkheid en van schade, aan verdachte kunnen worden toegerekend; (iii) het in gegeven geval redelijk was om deskundige bijstand in te roepen; en (iv) daartoe gemaakte kosten redelijk zijn (vgl. HR:2019:590). O.g.v. art. 241 Rv jo. 6:96.3 BW geldt dit echter niet t.a.v. kosten van rechtsbijstand a.b.i. art. 6:96.2.b en 6:96.2.c BW, als deze kosten zien op verrichtingen waarvoor proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten en rechter daarover o.g.v. art. 532 Sv in daar bedoelde gevallen een beslissing moet nemen. Kosten van rechtsbijstand die zijn gemaakt met het oog op indienen van vordering tot schadevergoeding waarmee b.p. zich in strafproces heeft gevoegd (zoals samenstellen van dossier ten behoeve van die voeging en daarop betrekking hebbende besprekingen met b.p.) worden geacht te zijn begrepen in hiervoor bedoelde proceskostenveroordeling en komen dus niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking. Buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand die vallen onder een van de in art. 6:96.2 BW bedoelde categorieën en die voldoen aan hiervoor weergegeven vereisten komen dus (als zij niet in hiervoor bedoelde zin als proceskosten zijn aan te merken) voor vergoeding in aanmerking als vermogensschade en kunnen in strafproces worden toegewezen als onderdeel van de in art. 51f Sv bedoelde schade. V.zv. formulering van HR:2019:793 hierover onduidelijkheid laat bestaan, moet het in deze zin worden begrepen. In het door hof bevestigde vonnis heeft Rb overwogen dat vorderingen b.p.’s tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand geen betrekking hebben op opstellen en indienen van die vorderingen zodat deze kosten als “buitengerechtelijk” moeten worden aangemerkt en niet als proceskosten. In deze overwegingen ligt als oordeel besloten dat betreffende kosten niet zijn gemaakt met het oog op vorderingen tot schadevergoeding waarmee b.p.’s zich in strafproces hebben gevoegd, maar dat het gaat om (redelijke) kosten a.b.i. art. 6:96.2 BW die zien op rechtsbijstand in daaraan voorafgaande periode, zodat deze kosten niet worden geacht te zijn begrepen in proceskostenveroordeling waarover rechter o.g.v. art. 532 Sv beslissing neemt. Dat oordeel getuigt in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld niet van onjuiste rechtsopvatting. Oordeel is ook toereikend gemotiveerd, mede tegen achtergrond van als zodanig door verdachte niet betwiste stelling van b.p.’s dat belaging in 2014 en 2018 zo ernstig werd dat zij gedwongen waren advocaat in te schakelen, dat het in 2014 nooit tot vervolging is gekomen en er ook in 2018 “eerst niets leek te gebeuren”. Volgt verwerping. CAG: anders. CAG gaat in op ontvankelijkheid van cassatieberoep (eisen aan schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen van cassatieberoep van verdachte aan griffiemedewerker bij e-mailbericht).

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

25 november 2025

Instantie

Hoge Raad

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

24/00891

Procedure

Cassatie

ECLI

ECLI:NL:HR:2025:1681

Bekijk op rechtspraak.nl