ECLI:NL:HR:2025:204, Hoge Raad, 11-02-2025, 24/03852 — HR:2025:204
Samenvatting
Prejudiciële beslissing HR, art. 553 Sv. Beantwoording prejudiciële vraag als strafvorderlijke procedure reeds is beëindigd en verhouding tussen prejudiciële beslissing HR en cassatie in het belang van de wet. Pr heeft n.a.v. behandeling van vordering OM tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde straf een prejudiciële vraag gesteld aan HR, zonder behandeling van vordering OM te schorsen (in afwachting van beantwoording van gestelde prejudiciële vraag door HR), maar heeft op diezelfde dag op vordering OM beslist, waardoor behandeling van vordering OM al is beëindigd. Kan HR gestelde prejudiciële vraag beantwoorden? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2023:913, inhoudende enkele inleidende opmerkingen over prejudiciële vragen aan strafkamer HR. Uit wettelijk systeem van prejudiciële vragen in strafzaken volgt dat rechter in beginsel alleen dan mogelijkheid heeft om prejudiciële vraag aan HR te stellen, als op dat moment antwoord van HR nodig is voor de door rechter te nemen beslissing over kwestie waarop gestelde prejudiciële vraag betrekking heeft. Als uitgangspunt geldt dat HR alleen kan overgaan tot beantwoording van prejudiciële vraag als op moment dat rechter die vraag stelt, antwoord van HR van belang is voor de door rechter (na die beantwoording door HR) te nemen beslissing over kwestie waarop gestelde prejudiciële vraag betrekking heeft. Onder bijzondere omstandigheden kan echter van dit uitgangspunt worden afgeweken. Wetgever heeft uitdrukkelijk willen afzien van mogelijkheid van het stellen van hypothetische dan wel extrajudiciële vragen. Die beperking van prejudiciële procedure ziet echter niet op gevallen waarin rechter een prejudiciële vraag met zaaksoverstijgend belang stelt aan HR, waarbij die vraag op zichzelf van belang is voor de door rechter te nemen beslissing maar het voor rechter vanwege aard van betreffende strafvorderlijke procedure en daarin op het spel staande belangen niet goed mogelijk is beantwoording van vraag af te wachten. In zo’n geval is HR niet verplicht tot beantwoording van vraag. Maar art. 553, 554 en 555 Sv staan er niet aan in de weg dat HR (in lijn met bedoeling van wetgever die aan regeling van art. 555.3 Sv ten grondslag ligt) beslist om vraag wel te beantwoorden als hem dat geraden voorkomt met het oog op rechtsontwikkeling en rechtseenheid en gelet op bijzonder gewicht van vraag in het licht van belangen van strafrechtspraktijk. Nu in zo’n geval met beantwoording van prejudiciële vraag wordt afgeweken van hiervoor bedoeld uitgangspunt, is temeer van belang dat uit beslissing van rechter waarin prejudiciële vraag wordt gesteld, blijkt dat is voldaan aan alle overige eisen die wet stelt en die in HR:2023:913 zijn besproken. In dit kader is verder van belang dat ook in cassatieprocedure in het belang van de wet vragen aan de orde kunnen worden gesteld waarvan beantwoording door HR is gewenst in belang van rechtsontwikkeling of rechtseenheid. Voordeel van vordering PG tot cassatie in het belang van de wet is dat in die vordering een rechtsvraag veelal in bredere context dan alleen die van specifieke strafrechtelijke procedure kan worden geformuleerd en besproken. Als in zo’n geval de PG een vordering tot cassatie in het belang van de wet instelt over hetzelfde onderwerp als waarop gestelde prejudiciële vraag betrekking heeft of aankondigt dat zo’n vordering zal worden ingesteld, zal HR afzien van beantwoording van prejudiciële vraag. PG heeft kenbaar gemaakt dat hij voornemen heeft om vordering tot cassatie in het belang van de wet in stellen, waarbij die vordering betrekking heeft op vraag die in deze prejudiciële procedure is opgeworpen. HR ziet af van beantwoording van gestelde prejudiciële vraag.
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:HR:2026:506, Hoge Raad, 31-03-2026, 23/03577
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2026:502, Hoge Raad, 31-03-2026, 23/03808
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2026:496, Hoge Raad, 31-03-2026, 23/03178
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2026:505, Hoge Raad, 31-03-2026, 23/01096
Hoge Raad · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
11 februari 2025
Instantie
Hoge RaadRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
24/03852
Procedure
Prejudiciële beslissing
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:204