ECLI:NL:HR:2025:451, Hoge Raad, 25-03-2025, 25/00203 — HR:2025:451
Samenvatting
Cassatie in het belang van de wet. Beslissing Pr inhoudende bevel dat deel van eerder opgelegde voorwaardelijke straf zal worden tenuitvoergelegd (met wijziging van bijzondere voorwaarden die aan deze voorwaardelijke straf zijn verbonden), uitleg van art. 6:6:21.7 Sv. Hoe moet aftrek van dagen die betrokkene heeft vastgezeten i.v.m. toegewezen vordering voorlopige tenuitvoerlegging worden toegepast? Pr heeft geoordeeld dat bij toepassing van art. 6:6:21.7 jo. 6:6:20.1.a Sv ook duur van vrijheidsontneming vanaf moment van aanhouding a.b.i. art. 6:3:15.1 en 6:3:15.2 Sv moet worden meegerekend. Als uitsluitend acht wordt geslagen op tekst van art. 6:6:21.7 jo. 6:6:20.1.a Sv, dan ligt het voor de hand de vraag betreffende uitleg van art. 6:6:21.7 Sv aldus te beantwoorden dat het bij die bepaling uitsluitend gaat om duur van vrijheidsontneming die is ondergaan o.g.v. (en dus vanaf moment van) beslissing van RC tot voorlopige tul van niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf. In art. 6:6:21.7 Sv wordt immers uitsluitend verwezen naar vrijheidsontneming o.g.v. art. 6:6:20.1.a Sv en niet naar vrijheidsontneming die gevolg is van toepassing van aanhoudingsbevoegdheid van art. 6:3:15.1 en 6:3:15.2 Sv. Naast tekst van wet is hier echter ook wetsgeschiedenis van art. 6:6:21 Sv van belang. Daaruit volgt dat wetgever bij invoering van art. 6:6:21.7 Sv niet heeft beoogd inhoudelijk af te wijken van regeling in art. 14g.6 (oud) Sr. In die bepaling ging het om het in mindering brengen van “vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van art. 14fa”. Daarbij zag art. 14fa (oud) Sr op zowel aanhouding van veroordeelde als door RC bevolen voorlopige tul. Gelet hierop moet, zoals Pr terecht heeft geoordeeld, bij toepassing van art. 6:6:21.7 jo. 6:6:20.1.a Sv ook duur van vrijheidsontneming vanaf moment van aanhouding a.b.i. art. 6:3:15.1 en 6:3:15.2 Sv worden meegerekend. Zoals in vordering PG wordt uiteengezet, sluit die uitleg ook aan bij wetssystematiek, terwijl daarnaast met die uitleg wordt voorkomen dat tul van (deels) voorwaardelijk oplegde straf tot langere vrijheidsontneming leidt dan duur waarvoor die straf (met inbegrip van voorwaardelijk deel) door rechter is opgelegd. Regeling van art. 27.1 Sr leidt niet tot ander oordeel. Daarin wordt onder meer bepaald dat bij het opleggen van tijdelijke vrijheidsstraf de tijd die door veroordeelde vóór tul van uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht. Dat betekent dat in die regeling dus niet in mindering wordt gebracht tijd die is gemoeid met aanhouding van verdachte en het ophouden voor onderzoek, v.zv. die hebben plaatsgevonden in voorbereidend onderzoek. Deze bepaling is echter niet van (overeenkomstige) toepassing verklaard in relatie tot regeling van art. 6:6:21.7 Sv, terwijl ook wetsgeschiedenis van art. 6:6:21.7 Sr niet erop duidt dat wetgever aansluiting heeft willen zoeken bij art. 27 Sr. Volgt verwerping. Vervolg op ECLI:NL:HR:2025:204 (prejudiciële beslissing HR).
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:HR:2025:1926, Hoge Raad, 16-12-2025, 23/02932
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2025:586, Hoge Raad, 22-04-2025, 22/03590
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2025:359, Hoge Raad, 11-03-2025, 24/00579
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2024:1524, Hoge Raad, 22-10-2024, 23/03615
Hoge Raad · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
25 maart 2025
Instantie
Hoge RaadRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
25/00203
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:451