ECLI:NL:HR:2025:455, Hoge Raad, 08-04-2025, 24/03507 — HR:2025:455
Samenvatting
Cassatie in het belang van de wet. Beslissing Pr op bezwaarschrift tegen kennisgeving OvJ tot omzetting van taakstraf in vervangende hechtenis, art. 6:6:23.1 Sv. 1. Eisen aan kenbaarheid van rechtsgeldigheid omzettingsbeslissing OvJ. Moet uit processtuk blijken dat aan voorwaarden voor rechtsgeldigheid van omzettingsbeslissing is voldaan, i.h.b. dat beslissing is genomen door OvJ en binnen wettelijke termijn? 2. Welke beslissing moet rechter nemen als rechter de rechtsgeldigheid van omzettingsbeslissing niet kan vaststellen? Ad 1. en 2. In art. 6:3:3.1 Sv bedoelde beslissing dat vervangende hechtenis wordt toegepast omdat opgelegde taakstraf niet (naar behoren) is verricht, wordt genomen door rechterlijke ambtenaren verbonden aan OM, in de praktijk een OvJ. Dat volgt uit art. 6:3:3 Sv jo. art. 1.b.6, 1.b.7, en 125 Wet RO. Deze beslissing (omzettingsbeslissing) moet worden aangemerkt als beslissing tot vrijheidsontneming a.b.i. art. 3.1 Besluit, zodat deze beslissing niet kan worden gemandateerd aan andere bij parket werkzame ambtenaar. Om te waarborgen dat omzettingsbeslissing voor veroordeelde en (in geval van daartegen ingediend bezwaar) voor rechter controleerbaar is, moet eis worden gesteld dat uit enig voor rechter en veroordeelde beschikbaar processtuk rechtstreeks en ondubbelzinnig blijkt dat aan voorwaarden voor rechtsgeldigheid van omzettingsbeslissing is voldaan, i.h.b. dat beslissing is genomen door bevoegde autoriteit binnen wettelijke termijn. Hierin kan bijvoorbeeld worden voorzien d.m.v. gedagtekend en door bevoegde autoriteit ondertekend stuk houdende omzettingsbeslissing. Ook omdat omzettingsbeslissing geen schorsende werking heeft, kan enkele mededeling van OvJ tijdens behandeling van bezwaarschrift dat hij beslissing overneemt of bevestigt, gevolgtrekking dat aan deze eis is voldaan niet dragen. Als rechter bij beoordeling van een tegen omzettingsbeslissing ingediend bezwaar niet kan vaststellen dat omzettingsbeslissing aan deze eis voldoet, moet hij bezwaarschrift van veroordeelde gegrond verklaren. Als rechter bezwaarschrift gegrond verklaart, geeft hij o.g.v. art. 6:6:23.2 Sv in zijn beslissing aantal uren taakstraf aan dat veroordeelde nog moet verrichten, waarbij rekening moet worden gehouden met tijd die veroordeelde in vervangende hechtenis heeft doorgebracht. Oordeel Pr dat uit processtuk moet blijken dat omzettingsbeslissing is genomen door OvJ binnen wettelijke termijn, geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting. Oordeel Pr dat veroordeelde n-o is in bezwaarschrift, nu niet vaststaat dat sprake is van rechtsgeldige door OvJ genomen omzettingsbeslissing, geeft blijk van onjuiste rechtsopvatting. Gelet op wat hiervoor is overwogen moet rechter in zo’n geval bezwaarschrift van veroordeelde tegen kennisgeving tot toepassing van vervangende hechtenis gegrond verklaren. Volgt vernietiging beslissing Pr in het belang van de wet.
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:HR:2026:496, Hoge Raad, 31-03-2026, 23/03178
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2026:505, Hoge Raad, 31-03-2026, 23/01096
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2026:512, Hoge Raad, 31-03-2026, 24/03850
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2026:504, Hoge Raad, 31-03-2026, 23/01102
Hoge Raad · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
8 april 2025
Instantie
Hoge RaadRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
24/03507
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2025:455