Juristi.nl
ECLI:NL:HR:2025:516Strafrecht

ECLI:NL:HR:2025:516, Hoge Raad, 08-04-2025, 23/01863 — HR:2025:516

Samenvatting

OM-cassatie na veroordeling t.z.v. medeplichtigheid aan diefstal (art. 310 Sr) en partiële vrijspraak van tlgd. geweld en daarmee samenhangend dodelijk gevolg (art. 312.3 Sr). Was (voorwaardelijk) opzet van verdachte mede gericht op (bedreigen met) geweld, terwijl feit de dood tot gevolg heeft? Uit art. 47, 48 en 49 Sr volgt dat enerzijds t.a.v. medeplichtige bij bewezenverklaring en kwalificatie moet worden uitgegaan van de door dader verrichte handelingen, ook als opzet van medeplichtige slechts was gericht op deel daarvan en dat anderzijds maximum van de aan medeplichtige op te leggen straf een derde minder bedraagt dan maximum van straf, gesteld op misdrijf dat medeplichtige voor ogen stond. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2011:BO4471 m.b.t. situatie waarin (voorwaardelijk) opzet van medeplichtige niet (volledig) is gericht op gronddelict en eis dat misdrijf waarop opzet van medeplichtige wel was gericht voldoende verband moet houden met gronddelict. Daarbij zijn aard van gronddelict, aard van gedraging van medeplichtige en overige omstandigheden van het geval van belang. Hof heeft overwogen dat verdachte moet worden vrijgesproken van tlgd., bij medeplichtigheid betrokken strafverzwarende omstandigheden en daaraan verbonden dodelijk gevolg, omdat niet is komen vast te staan “dat verdachte enige wetenschap had t.t.v. tlgd. van het door medeverdachte toegepaste geweld”. V.zv. hof daarmee als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat voor bewezenverklaring van tlgd. medeplichtigheid aan diefstal met (bedreiging met) geweld, is vereist dat kan worden bewezenverklaard dat opzet van verdachte zich uitstrekt tot dat geweld of die bedreiging met geweld, heeft hof miskend wat hiervoor is vooropgesteld en heeft het met gedeeltelijke vrijspraak de grondslag van tll. verlaten. V.zv. hof dit niet heeft miskend, heeft hof zijn oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van tlgd. strafverzwarende omstandigheden en daaraan verbonden dodelijk gevolg, ontoereikend gemotiveerd. ‘s Hofs bewijsvoering houdt in dat verdachte wist van plan van medeverdachte om slachtoffer te bestelen. Hof heeft verder overwogen dat opzet van verdachte in elk geval was gericht op het behulpzaam zijn van medeverdachte bij diefstal en dus op deel van de door medeverdachte verrichte handelingen. Nu daarin ligt besloten dat die diefstal voldoende verband houdt met gronddelict waarop tll. betrekking heeft (diefstal met (bedreiging met) geweld, terwijl feit de dood tot gevolg heeft) is ‘s hofs op dit punt anders luidende oordeel niet begrijpelijk. Geen cassatie bij gebrek aan belang. In geval van medeplichtigheid aan misdrijf komen o.g.v. art. 49.4 Sr bij het bepalen van straf immers alleen die handelingen in aanmerking die medeplichtige opzettelijk heeft gemakkelijk gemaakt of bevorderd, benevens hun gevolgen. Hof heeft dat niet miskend. Volgt verwerping.

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

8 april 2025

Instantie

Hoge Raad

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

23/01863

Procedure

Cassatie

ECLI

ECLI:NL:HR:2025:516

Bekijk op rechtspraak.nl