Juristi.nl

Hoge Raad: geïmporteerde fietsen zijn van Chinese, niet Cambodjaanse oorsprong — HR:2026:389

douanerecht / niet-preferentiële oorsprong / antidumpingrechten / assemblage fietsen

Eiser / verzoeker

[X] S.A.S. (Frans bedrijf, belanghebbende)

VS

Verweerder / gedaagde

Staatssecretaris van Financiën

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond; de nagevorderde antidumpingrechten (48,5% op de nettoprijs) blijven verschuldigd omdat de fietsen als van Chinese niet-preferentiële oorsprong worden aangemerkt.

  • Assemblage van fietsonderdelen in Cambodja door louter opschroeven en vastklemmen — zonder blijvende verbinding — vormt geen 'ingrijpende bewerking' die niet-preferentiële oorsprong Cambodja verleent.
  • Ook assemblage die uitstijgt boven 'eenvoudige assemblage' verleent niet automatisch oorsprong; dit moet per geval aan objectieve criteria worden getoetst (arrest Brother, arrest Thomson).
  • De door de Commissie gepubliceerde lijstregel van 45% toegevoegde waarde voor fietsen (post 8712 GN) is een aanvaardbaar objectief criterium dat de draagwijdte van artikel 24 CDW niet wijzigt.
  • De vastgestelde toegevoegde waarde in Cambodja (34,71%–44,01%) bleef onder de drempel van 45%, zodat niet-preferentiële oorsprong China is vastgesteld en antidumpingrechten van 48,5% verschuldigd zijn.

Samenvatting

Een Frans bedrijf importeerde in 2013 grote aantallen fietsen in de Europese Unie. Op de douaneaangiften stond Cambodja vermeld als land van oorsprong, waardoor het bedrijf aanspraak maakte op een preferentieel tarief van nul procent douanerechten. Dat was aantrekkelijk, want op fietsen uit China gold op dat moment een antidumpingrecht van maar liefst 48,5 procent.

Het Europees fraudebureau OLAF deed in 2015 onderzoek in Cambodja naar mogelijke ontduiking van die antidumpingrechten. Uit dat onderzoek bleek dat de Cambodjaanse leverancier van het Franse bedrijf losse fietsonderdelen importeerde — voornamelijk uit China — om die vervolgens in Cambodja in elkaar te schroeven. OLAF concludeerde dat de toegevoegde waarde van de Cambodjaanse productie slechts tussen de 34,71 en 44,01 procent bedroeg, dus minder dan de vereiste 45 procent om als 'gemaakt in Cambodja' te gelden.

De Nederlandse douane vorderde vervolgens antidumpingrechten na van het Franse bedrijf. Het bedrijf vocht dit aan: de assemblage in Cambodja was volgens hem meer dan een simpele montagehandeling en zou dus Cambodjaanse oorsprong moeten verlenen aan de fietsen. De zaak liep via de rechtbank en het gerechtshof uiteindelijk naar de Hoge Raad.

Het gerechtshof Amsterdam had al geoordeeld dat de fietsen de niet-preferentiële oorsprong China hebben. De kern van dat oordeel: bij de assemblage in Cambodja werden onderdelen slechts met schroeven aan elkaar bevestigd of vastgeklemd, zonder dat ze blijvend of duurzaam aan elkaar werden verbonden. Vrijwel alle losse onderdelen hadden al hun definitieve bestemming voordat de assemblage begon. Alleen de spaken, binnenbanden en remkabels kregen pas tijdens de assemblage hun definitieve functie, maar dat woog onvoldoende mee in het geheel. Bovendien bedroeg de toegevoegde waarde in Cambodja minder dan de drempel van 45 procent die de Europese Commissie hanteert voor fietsen.

In cassatie betoogde het Franse bedrijf dat het hof een te strenge maatstaf had gehanteerd. Een assemblage hoeft volgens hem niet de 'bepalende fabricagefase' te zijn om toch oorsprong te verlenen — het gaat er slechts om of de assemblage uitstijgt boven de categorie van eenvoudige handelingen. De Hoge Raad verwierp dit betoog. Het hof had terecht verwezen naar Europese rechtspraak van het Hof van Justitie, waaruit volgt dat ook assemblage die verder gaat dan 'eenvoudige assemblage' niet automatisch oorsprong verleent. Of een assemblage een 'ingrijpende bewerking' is in de zin van de douanewetgeving, moet in elk geval aan de hand van objectieve criteria worden beoordeeld.

Ook het beroep op het criterium van de toegevoegde waarde hielp het bedrijf niet verder. De Hoge Raad bevestigde dat de door de Commissie gepubliceerde lijstregel van 45 procent een duidelijk en objectief criterium is, dat past binnen de grenzen van het Communautair douanewetboek. Dat de fietsen daar niet aan voldeden, stond op basis van het OLAF-onderzoek voldoende vast.

De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Daarmee staat vast dat de fietsen van Chinese oorsprong zijn en dat het Franse bedrijf de nagevorderde antidumpingrechten moet betalen.

Betrokken advocaten

mr. G.J. van Slooten

eiser

mr. M.J.T. van der Knaap

eiser

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

27 maart 2026

Instantie

Hoge Raad

Zaaknummer

22/04802

Procedure

Cassatie

ECLI

ECLI:NL:HR:2026:389

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 2012-2015 blijven in stand
Hoge Raad·2 apr 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoge Raad verwerpt cassatie over verliesbeschikking 2012
Hoge Raad·2 apr 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoge Raad wijst cassatie tegen afgewezen belastingbeslag af
Hoge Raad·27 mrt 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoge Raad vernietigt uitspraak over antidumpingrechten
Hoge Raad·27 mrt 2026
Bestuursrecht; Belastingrecht