ECLI:NL:HR:2026:483, Hoge Raad, 24-03-2026, 23/01771 — HR:2026:483
Samenvatting
Klimaatdemonstratie en bezetting van belastingkantoor in 2022 in Den Haag. Hinderlijk ophouden in een voor publiek toegankelijke ruimte, art. 2:50 APV Den Haag. Had art. 2:50 APV Den Haag gelet op grondwettelijk recht tot die betoging ex art. 9 Grondwet buiten toepassing moeten blijven? Art. 9 Grondwet heeft betrekking op grondrecht tot betoging. Uit totstandkomingsgeschiedenis van deze bepaling en grondwettelijke beperkingssystematiek volgt dat grondwetgever uitdrukkelijk ervoor heeft gekozen dat recht op betoging niet door lagere overheden kan worden beperkt anders dan krachtens specifieke wetsbepaling. Gemeenteraden kunnen niet krachtens hun algemene bevoegdheid (ex art. 149 Gemeentewet) tot stellen van beperkingen overgaan. Art. 2:50 APV Den Haag betreft verordening die door gemeenteraad Den Haag is vastgesteld o.g.v. die bevoegdheid. Deze bepaling kan daarom niet worden toegepast om betogingsrecht a.b.i. art. 9.1 Grondwet te beperken. Art. 9.2 Grondwet biedt mogelijkheid om bij wet regels te stellen ter bescherming van gezondheid in belang van verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Grondrecht tot betoging kan, gelet op art. 9.2 Grondwet, slechts worden beperkt door wet in formele zin. Zo’n wet in formele zin kan ook voorzien in voldoende specifieke wetsbepaling waarmee bevoegdheid tot stellen van regels over betogingen wordt gedelegeerd aan lagere overheid (bijvoorbeeld gemeente). Wetgever heeft met Wet openbare manifestaties voorzien in wet a.b.i. art. 9.2 Grondwet. Over betogingen houdt deze wet in dat gemeenteraad regels vaststelt m.b.t. gevallen waarin voor betogingen op openbare plaatsen een voorafgaande kennisgeving is vereist (art. 4 Wom). Wom voorziet niet in bepaling waarmee gemeenteraad andere bevoegdheden krijgt waarmee grondrecht tot betoging beperkt kan worden. Ktr heeft bewezenverklaard dat verdachte zich op hinderlijke wijze heeft opgehouden in belastingkantoor. In uitspraak van Ktr ligt besloten dat dit ophouden onderdeel was van betoging a.b.i. art. 9.1 Grondwet. Gelet hierop getuigt oordeel Ktr dat art. 2:50 APV Den Haag niet buiten toepassing hoeft te worden gelaten, van onjuiste rechtsopvatting. HR zal zaak zelf afdoen door verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Daarbij is van belang dat weliswaar klachten zijn geformuleerd over (motivering van) bewezenverklaring, maar dat ook als ervan wordt uitgegaan dat die klachten slagen, na terugwijzing geen veroordeling meer kan volgen vanwege slagen van middel over buiten toepassing laten van art. 2:50 APV Den Haag. Voor deze keuze om behandeling in cassatie te concentreren op deze klachten is ook van belang dat verdediging in feitelijke aanleg primair verweer naar voren heeft gebracht dat (als het gaat om betoging) verbodsbepaling van art. 2:50 APV Den Haag gelet op art. 9 Grondwet buiten toepassing moet blijven. HR ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging. CAG (strekking): vernietiging en terugwijzing.
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:HR:2026:489, Hoge Raad, 24-03-2026, 24/01023
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2025:1445, Hoge Raad, 07-10-2025, 23/04450
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2025:805, Hoge Raad, 27-05-2025, 23/00607
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2025:462, Hoge Raad, 01-04-2025, 23/01305
Hoge Raad · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
24 maart 2026
Instantie
Hoge RaadRechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
23/01771
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:483