Hoge Raad geeft belastingplichtigen extra tijd voor verdeling box 3-vermogen na massaal bezwaar — HR:2026:495
inkomstenbelasting / box 3 / massaal bezwaar / verdeling grondslag sparen en beleggen tussen fiscale partners
Eiser / verzoeker
Belanghebbende (belastingplichtige)
Verweerder / gedaagde
Inspecteur van de Belastingdienst
De Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vragen aldus dat belastingplichtigen in een massaalbezwaarprocedure de onderlinge verhouding voor box 3 mogen wijzigen tot zes weken na de individuele verminderingsbeschikking van de inspecteur als bedoeld in artikel 25e lid 4 AWR.
- Belastingplichtigen wiens aanslag onherroepelijk wordt via een collectieve uitspraak (massaal bezwaar) hebben ook het recht de onderlinge verhouding box 3 te wijzigen met hun fiscale partner.
- De termijn voor wijziging loopt tot zes weken na de individuele verminderingsbeschikking van de inspecteur op grond van artikel 25e lid 4 AWR, niet na de collectieve uitspraak zelf.
- De Hoge Raad vult een wetgevingsgap op: de wetgever heeft bij de hervorming van de massaalbezwaarprocedure in 2016 over het hoofd gezien dat belastingplichtigen hierdoor de toegang tot de herzieningstermijn van artikel 2.17 lid 4 Wet IB 2001 verloren.
- Een ambtshalve verminderingsverzoek daarna biedt geen extra mogelijkheid om de verdeling alsnog te wijzigen, omdat de aanslag zijn definitieve karakter behoudt.
Samenvatting
Wanneer partners gezamenlijk vermogen hebben in box 3, mogen zij zelf bepalen hoe dat vermogen tussen hen wordt verdeeld voor de belastingheffing. Maar tot wanneer kunnen zij die verdeling nog aanpassen? Die vraag speelde in een zaak over de beroemde box 3-procedure, waarbij honderdduizenden Nederlanders massaal bezwaar hadden gemaakt tegen de forfaitaire vermogensrendementsheffing.
Een belastingplichtige en zijn echtgenote hadden allebei een aanslag over 2017 ontvangen. De aanslag van de echtgenote was al onherroepelijk geworden in mei 2018. De aanslag van de man maakte deel uit van het massaal bezwaar over box 3. Nadat de rechter in die massale procedure had geoordeeld dat de belastingdienst ongelijk had, volgde in februari 2022 een collectieve uitspraak en in juli 2022 een individuele verminderingsbeschikking voor de man.
Direct daarna, in juli 2022, vroegen de man en zijn vrouw om de grondslag van box 3 volledig toe te rekenen aan de vrouw — zodat het aandeel van de man op nul zou uitkomen. Dat zou voor hen fiscaal gunstiger zijn. De inspecteur weigerde dit, omdat de aanslag al onherroepelijk was geworden door de collectieve uitspraak. De wet laat namelijk alleen een herzieningsverzoek toe zolang beide aanslagen nog niet vaststaan, of — als een aanslag onherroepelijk wordt door een uitspraak van de Hoge Raad — tot zes weken daarna.
De Rechtbank Den Haag stelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad: mogen partners ook na een collectieve uitspraak in een massaalbezwaarprocedure nog de verdeling wijzigen, en zo ja, tot wanneer?
De Hoge Raad stelt vast dat de wetgever bij de hervorming van de massaalbezwaarprocedure in 2016 over het hoofd heeft gezien dat belastingplichtigen in dat systeem geen individuele procedure meer kunnen voeren en dus ook geen uitspraak van de Hoge Raad in hun eigen zaak krijgen. Daardoor vallen zij buiten de zes-wekentermijn die de wet normaal gesproken biedt na een Hoge Raad-uitspraak. Dat is een omissie die de wetgever kennelijk niet heeft beoogd.
De Hoge Raad redeneert dat het uitgangspunt achter die zes-wekentermijn is dat partners pas na de uitspraak voldoende duidelijkheid hebben over de financiële gevolgen van een mogelijke herverdeling. In een massaalbezwaarprocedure ontstaat die duidelijkheid pas echt als de inspecteur de individuele verminderingsbeschikking heeft gestuurd — niet al bij de collectieve uitspraak. Er is dan geen reden om deze groep belastingplichtigen slechter te behandelen dan degenen die een individuele procedure voerden tot aan de Hoge Raad.
Om praktische redenen kiest de Hoge Raad voor een heldere vaste regel: partners kunnen de verdeling van box 3 wijzigen tot zes weken nadat de inspecteur op grond van de massaalbezwaarprocedure de individuele verminderingsbeschikking heeft verzonden. In dit geval was dat de beschikking van 21 juli 2022, zodat de man en zijn vrouw op 22 juli 2022 nog tijdig waren met hun verzoek. De Hoge Raad beantwoordt de prejudiciële vragen dienovereenkomstig: het recht op wijziging bestaat ook in deze situatie, en de termijn loopt tot zes weken na de verminderingsbeschikking.
Betrokken advocaten
mr. M.P. Lagerwaard
belanghebbende
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:HR:2026:473, Hoge Raad, 20-03-2026, 25/02774
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:HR:2026:107, Hoge Raad, 23-01-2026, 25/03611
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:HR:2025:1902, Hoge Raad, 12-12-2025, 24/02833
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:HR:2025:1605, Hoge Raad, 24-10-2025, 25/01506
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Hoge RaadRechtsgebied
Bestuursrecht; BelastingrechtZaaknummer
25/02264
Procedure
Prejudiciële beslissing
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:495