Juristi.nl
ECLI:NL:HR:2026:502Strafrecht

Hoge Raad: hof had getuigenverzoek verdachte niet zomaar mogen afwijzen — HR:2026:502

strafrecht / getuigenrecht / recht op eerlijk proces (artikel 6 EVRM)

Eiser / verzoeker

verdachte

Verweerder / gedaagde

Openbaar Ministerie

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden en wijst de zaak terug voor een nieuwe behandeling.

  • Het hof heeft het verzoek tot het horen van belastende getuigen afgewezen wegens gebrek aan noodzaak en te late indiening, maar die afwijzing is volgens de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk.
  • De bewezenverklaring steunt mede op verklaringen van de aangeefster en een getuige die de verdachte nooit heeft kunnen ondervragen, wat een eerlijk-procesvraag oproept onder artikel 6 EVRM.
  • Het hof had moeten nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces (Keskin-criterium), maar heeft dit nagelaten.
  • De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe behandeling.

Samenvatting

Een man die in hoger beroep was veroordeeld voor mishandeling, wilde de aangeefster en een getuige laten horen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden weigerde dat verzoek, maar de Hoge Raad oordeelt nu dat die weigering niet zonder meer begrijpelijk was.

De zaak draaide om een mishandeling waarbij de aangeefster verklaarde dat de verdachte haar met een vlakke hand tegen haar achterhoofd en linkeroor had geslagen. De verdachte ontkende dit en stelde dat hij mogelijk haar oor had geraakt toen hij haar telefoon afpakte — maar dat dit geen opzettelijke geweldshandeling was. Een getuige had een 'schermutseling' gezien en waargenomen dat de verdachte iets in het water gooide, maar had de beweerde klap niet expliciet gezien.

De verdediging voerde aan dat het bewijs onvoldoende was: het letsel — een rood oor — kon ook door andere oorzaken zijn veroorzaakt, zoals kou of stress. Bovendien, zo betoogde de raadsvrouw, zou een getrainde kickbokser waarschijnlijk ernstiger letsel hebben veroorzaakt. De getuigenverklaring paste in het alternatieve scenario van de verdachte, zodat opzet niet bewezen kon worden.

Aan het einde van het pleidooi deed de verdediging een voorwaardelijk verzoek: als het hof toch zou overgaan tot veroordeling op basis van de verklaringen van de aangeefster en de getuige, dan wilde de verdediging hen alsnog ondervragen. Het hof wees dit verzoek af. Volgens het hof had de verdediging het verzoek eerder moeten indienen — bij de appelschriftuur, tijdens een rolzitting of bij eerdere aanhoudingsverzoeken. Bovendien achtte het hof de onderbouwing van het verzoek te beperkt en de processtukken voldoende duidelijk.

De Hoge Raad ziet dit anders. Doorslaggevend is dat de veroordeling mede steunt op de belastende verklaringen van de aangeefster en de getuige, terwijl de verdachte die verklaringen betwist en de verdediging deze personen nooit heeft kunnen ondervragen. Onder die omstandigheden had het hof moeten nagaan of de procedure als geheel nog voldeed aan het recht op een eerlijk proces, zoals gegarandeerd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Dat heeft het hof nagelaten.

De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe behandeling, waarbij alsnog moet worden beoordeeld of de verdachte recht heeft op het horen van de getuigen.

Betrokken advocaten

mr. R.J. Baumgardt

verdachte

Baumgardt Strafcassatie Advocatuur, ROTTERDAM

mr. M.J. van Berlo

verdachte

Baumgardt Strafcassatie Advocatuur, ROTTERDAM

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

31 maart 2026

Instantie

Hoge Raad

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

23/03808

Procedure

Cassatie

ECLI

ECLI:NL:HR:2026:502

Bekijk op rechtspraak.nl