Juristi.nl

Hoge Raad: waterschap wint van aannemer over te kleine aflaatconstructie — HR:2026:507

aanneming van werk / gebrekkige oplevering / klachtplicht (art. 6:89 BW)

Eiser / verzoeker

eiseres B.V. (aannemer)

VS

Verweerder / gedaagde

Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK)

Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep; de aannemer moet de aflaatconstructie herstellen tot een capaciteit van minimaal 20 m³/s en betaalt de proceskosten in cassatie van €5.097.

  • Klachtplicht (art. 6:89 BW) niet geschonden: HHSK mocht eerst nader onderzoek laten uitvoeren nadat de systeemtest uit 2018 twijfelachtige resultaten opleverde, en klaagde tijdig na ontvangst van het Deltares-rapport in juli 2019.
  • Stellingen over een test uit 2013 zijn pas bij mondelinge behandeling in hoger beroep ingenomen en gelden als nieuwe feitelijke grondslag, niet als nadere uitwerking van eerder verweer — dit stuit af op de tweeconclusieregel.
  • De melding van 16 augustus 2019 viel nog binnen de onderhoudstermijn, die bij oplevering in december 2011 doorliep tot december 2019.
  • Hoge Raad verwerpt overige klachten op grond van art. 81 lid 1 RO zonder nadere motivering.

Samenvatting

Een aannemer die een aflaatconstructie moest bouwen met een capaciteit van 20 kubieke meter per seconde, maar een installatie opleverde die slechts een fractie daarvan aankon, heeft ook bij de Hoge Raad het onderspit gedolven. Het hoogste rechtscollege verwierp het cassatieberoep van de aannemer en bevestigde daarmee de veroordeling door het gerechtshof.

De zaak draait om de Aflaat Rotte-Eendragtspolder (ARE), een waterwerk dat het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK) in 2010 bij de aannemer bestelde. Bij een capaciteitstest in februari 2018 bleek de constructie slechts 6,4 kubieke meter per seconde te kunnen verwerken in plaats van de afgesproken 20. Het hoogheemraadschap twijfelde aan deze uitkomst en gaf onderzoeksbureau Deltares opdracht een nadere analyse uit te voeren. In juli 2019 ontving HHSK het definitieve rapport, waaruit bleek dat de capaciteit ook volgens Deltares fors tekortschoot. Op 16 augustus 2019 stelde HHSK de aannemer officieel op de hoogte.

De aannemer betoogde dat HHSK te laat had geklaagd en daarmee de klachtplicht van artikel 6:89 van het Burgerlijk Wetboek had geschonden. Volgens de aannemer wist het hoogheemraadschap al in 2013 van een eerdere test waaruit een te lage capaciteit bleek, en had het toen al aan de bel moeten trekken. Door zo lang te wachten was de aannemer bovendien in zijn belangen geschaad: hij had voor het ontwerp een derde partij ingeschakeld, maar diens aansprakelijkheid was inmiddels vervallen op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden.

Het gerechtshof wees dit betoog af. Het hof oordeelde dat HHSK pas na ontvangst van het Deltares-rapport in juli 2019 voldoende duidelijkheid had over de omvang van het gebrek. Omdat het hoogheemraadschap zelf twijfelde aan de uitkomst van de test uit 2018, mocht het eerst nader onderzoek laten uitvoeren voordat het een officiële klacht indiende. Dat dit onderzoek ruim een jaar duurde, was onvoldoende reden om te oordelen dat de klachtplicht was geschonden. Bovendien viel de melding van 16 augustus 2019 nog binnen de onderhoudstermijn, die bij oplevering in december 2011 doorliep tot december 2019.

In cassatie probeerde de aannemer alsnog de stellingen over de test uit 2013 voor het voetlicht te brengen. Maar de Hoge Raad constateerde dat deze argumenten voor het eerst waren ingenomen tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep. Het hof had ze terecht niet beschouwd als een nadere uitwerking van het eerder gevoerde verweer, maar als een geheel nieuwe feitelijke grondslag. Dat is procesrechtelijk niet toegestaan vanwege de zogenoemde tweeconclusieregel, die partijen verplicht hun stellingen in een vroeg stadium volledig naar voren te brengen.

De overige cassatieklachten werden zonder verdere motivering verworpen, omdat beantwoording daarvan niet nodig was voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De aannemer moet de ARE alsnog aanpassen zodat de afgesproken capaciteit van minimaal 20 kubieke meter per seconde wordt gehaald, en wordt daarnaast veroordeeld tot betaling van de proceskosten in cassatie van ruim vijfduizend euro aan het hoogheemraadschap.

Betrokken advocaten

mr. H. Boom

eiser

BarentsKrans Co�peratief U.A., 'S-GRAVENHAGE

mr. H.J.W. Alt

verweerder

Alt Kam Boer advocaten, 'S-GRAVENHAGE

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

27 maart 2026

Instantie

Hoge Raad

Zaaknummer

24/04391

Procedure

Cassatie

ECLI

ECLI:NL:HR:2026:507

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

Hoge Raad verwerpt cassatie in geschil over Gasunie
Hoge Raad·27 mrt 2026
Civiel Recht; Verbintenissenrecht
HR:2026:459
Hoge Raad·20 mrt 2026
Civiel Recht; Verbintenissenrecht
HR:2026:396
Hoge Raad·13 mrt 2026
Civiel Recht; Verbintenissenrecht
HR:2026:348
Hoge Raad·6 mrt 2026
Civiel Recht; Verbintenissenrecht
HR:2026:356
Hoge Raad·6 mrt 2026
Civiel Recht; Verbintenissenrecht