Hoge Raad: beroepschrift per gewone e-mail mag hersteld worden — HR:2026:514
procesrecht / ontvankelijkheid hoger beroep / elektronisch procederen / herstel gebrekkige indiening
Eiser / verzoeker
de vrouw (verzoekster tot cassatie)
Verweerder / gedaagde
de man (verweerder in cassatie)
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de vrouw; de man blijft ontvankelijk in zijn hoger beroep.
- Indiening van een beroepschrift per gewone (onbeveiligde) e-mail is gebrekkig maar niet hetzelfde als een te late indiening; het beroepschrift was tijdig binnengekomen.
- Bij gebrekkige indiening moet de rechter als uitgangspunt herstel bieden; pas als de partij daarvan geen gebruik maakt kan niet-ontvankelijkheid volgen.
- Als herstel via Veilig Mailen geen zinvol doel dient, kan de rechter de herstelmogelijkheid achterwege laten en de partij direct ontvankelijk verklaren.
- De Hoge Raad koppelt deze benadering aan het per 1 juli 2025 geldende art. 33 lid 6 Rv, dat een algemene herstelmogelijkheid bij elektronisch procederen behelst.
- Het hof had geen discretie op grond van 'redelijkheid' nodig: de ontvankelijkheid is gerechtvaardigd via de gebrekkige-indiening-leer, niet via een verzachting van de sanctie op termijnoverschrijding.
Samenvatting
Een echtscheidingsprocedure leidde tot een principiële uitspraak van de Hoge Raad over de vraag wat er moet gebeuren als een procespartij een beroepschrift per gewone (onbeveiligde) e-mail indient, terwijl de regels voorschrijven dat dit via beveiligde e-mail ('Veilig Mailen') moet.
Partijen waren in 2018 gehuwd en verzochten in 2022 en 2023 echtscheiding met nevenvoorzieningen. De rechtbank Amsterdam wees in maart 2024 twee verzoeken van de man af. Hij wilde in hoger beroep, en stuurde zijn beroepschrift op 13 juni 2024 — net binnen de dreimaandse termijn — per gewone e-mail naar de griffie van het gerechtshof. De papieren versie per post arriveerde pas op 17 juni 2024, drie dagen na het verstrijken van de beroepstermijn.
Het gerechtshof Amsterdam stelde vast dat gewone e-mail geen toegestane indieningsmethode is volgens het procesreglement, maar verklaarde de man toch ontvankelijk. De redenering: vóór 1 juli 2024 was er bij de afdeling familie- en jeugdrecht geen eenduidige handelwijze; in sommige gevallen werden per gewone mail ingediende stukken wél aanvaard. Onder die omstandigheden achtte het hof niet-ontvankelijkheid een te zware sanctie.
De vrouw ging tegen die beslissing in cassatie. Zij betoogde dat beroepstermijnen van openbare orde zijn en strikt moeten worden nageleefd. De rechter zou geen ruimte hebben om de gevolgen van termijnoverschrijding te mitigeren op grond van redelijkheid, tenzij sprake is van een zogenoemde 'apparaatsfout' — een fout die aan de rechtbank of het hof zelf te wijten is.
De Hoge Raad volgt dit standpunt niet en introduceert een genuanceerde benadering. Het gaat hier niet om een te late indiening, maar om een gebrekkige indiening: het beroepschrift was tijdig, maar via de verkeerde weg verstuurd. In zo'n situatie is het uitgangspunt dat de rechter de partij de kans moet geven het gebrek te herstellen — door het beroepschrift alsnog via Veilig Mailen in te dienen binnen een door de rechter gestelde termijn. Doet de partij dat niet, dan kan niet-ontvankelijkheid volgen.
Maar er is een uitzondering: als herstel via Veilig Mailen geen zinvol doel dient — omdat het beroepschrift al inhoudelijk is binnengekomen en de termijn is verstreken — kan de rechter de herstelmogelijkheid achterwege laten en de partij direct ontvankelijk verklaren. De Hoge Raad wijst erop dat deze benadering ook aansluit bij het sinds 1 juli 2025 geldende artikel 33 lid 6 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat een algemene herstelmogelijkheid bij gebrekkig elektronisch procederen codificeert.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de vrouw. De man blijft ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam, en de echtscheidingsprocedure wordt inhoudelijk voortgezet.
Betrokken advocaten
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:PHR:2026:85, Parket bij de Hoge Raad, 23-01-2026, 25/02576
Parket bij de Hoge Raad · Civiel Recht; Arbeidsrecht
ECLI:NL:HR:2025:1240, Hoge Raad, 05-09-2025, 24/03450
Hoge Raad · Civiel Recht; Burgerlijk Procesrecht
ECLI:NL:HR:2025:1159, Hoge Raad, 18-07-2025, 24/03269
Hoge Raad · Civiel Recht; Burgerlijk Procesrecht
ECLI:NL:HR:2025:755, Hoge Raad, 16-05-2025, 24/01995
Hoge Raad · Civiel Recht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Hoge RaadRechtsgebied
Civiel Recht; Burgerlijk ProcesrechtZaaknummer
25/01880
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:514