Hoge Raad wijst wrakingsverzoek belastingplichtige af — HR:2026:522
wrakingsverzoek / rechterlijke onpartijdigheid / belastingcassatie
Eiser / verzoeker
verzoeker (belastingplichtige)
Verweerder / gedaagde
raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij
Het wrakingsverzoek tegen raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij wordt afgewezen als ongegrond.
- Eerdere beslissing van rechters in een andere zaak van dezelfde partij levert op zichzelf geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid op
- Verzoeker voerde geen concrete aanvullende omstandigheden aan die een uitzondering op het vermoeden van onpartijdigheid rechtvaardigden
- Een eerder wrakingsverzoek tegen leden van de wrakingskamer zelf werd buiten behandeling gesteld, met bepaling dat verdere verzoeken niet meer worden behandeld
- Verzoeker verscheen niet op de mondelinge behandeling en bestempelde de zitting als 'onwettig'
Samenvatting
Een belastingplichtige probeerde twee raadsheren van de Hoge Raad te wraken die zouden oordelen over zijn cassatieberoepen in belastingzaken. De man diende het wrakingsverzoek in op 2 oktober 2025, één dag voordat uitspraak zou worden gedaan in zijn zaken.
Als reden voor de wraking voerde de verzoeker aan dat de twee raadsheren — M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij — hem eerder in een andere zaak niet-ontvankelijk hadden verklaard in zijn cassatieberoep. Dat vond hij onterecht, en hij meende dat dit bewees dat deze rechters vooringenomen waren tegenover hem.
De wrakingskamer van de Hoge Raad beoordeelde dit verzoek. Daarbij gold als vertrekpunt dat een rechter op grond van zijn aanstelling vermoed wordt onpartijdig te zijn. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden — wanneer er een zwaarwegende aanwijzing bestaat dat een rechter vooringenomen is, of dat de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is — kan dat vermoeden worden doorbroken.
Volgens de wrakingskamer is het enkele feit dat rechters eerder een beslissing hebben genomen in een zaak waarbij dezelfde partij betrokken was, op zichzelf geen reden om aan te nemen dat zij vooringenomen zijn. De verzoeker voerde geen verdere concrete omstandigheden aan die in zijn geval een uitzondering op die regel zouden rechtvaardigen. Zijn eigen onvrede met een eerdere uitkomst is daarvoor onvoldoende.
De man verscheen ook niet op de mondelinge behandeling op 10 maart 2026, nadat hij bij brief had laten weten de zitting 'onwettig' te vinden. Eerder had hij ook al geprobeerd twee leden van de wrakingskamer zelf te wraken, maar dat verzoek was buiten behandeling gesteld. Daarbij was tevens bepaald dat verdere wrakingsverzoeken in deze zaken niet meer in behandeling zouden worden genomen.
De Hoge Raad wees het wrakingsverzoek tegen Boerlage en Van Roij af.
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:HR:2026:473, Hoge Raad, 20-03-2026, 25/02774
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:HR:2026:107, Hoge Raad, 23-01-2026, 25/03611
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:HR:2025:1833, Hoge Raad, 05-12-2025, 25/04284
Hoge Raad · Strafrecht
ECLI:NL:HR:2025:1596, Hoge Raad, 24-10-2025, 25/02087
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Hoge RaadRechtsgebied
Bestuursrecht; BelastingrechtZaaknummer
25/03569
Procedure
Wraking
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:522