Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens onbetaald griffierecht — HR:2026:534
ontvankelijkheid cassatieberoep / griffierecht belastingzaak
Eiser / verzoeker
[X] B.V.
Verweerder / gedaagde
niet vermeld (belastingzaak)
Het beroep in cassatie van de vennootschap is niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet betalen van griffierecht.
- Griffierecht niet betaald binnen de gestelde termijn van vier weken na aangetekende brief
- Tweede kans via digitaal dossier en e-mailkennisgeving bleef onbenut
- Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:41 lid 6 Awb
- Geen inhoudelijke beoordeling van de onderliggende belastingzaak
- Geen proceskostenveroordeling
Samenvatting
Een vennootschap die in cassatie wilde gaan tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam in een belastingzaak, is door de Hoge Raad hard afgestraft voor een formele nalatigheid: het niet betalen van griffierecht.
De gang van zaken was eenvoudig. Nadat het beroepschrift was ingediend, stuurde de griffier van de Hoge Raad eind december 2025 een aangetekende brief naar het adres van de vennootschap met het verzoek griffierecht te betalen. Uit de Track & Trace-gegevens van PostNL bleek dat de brief op het opgegeven adres was afgeleverd. Toch werd het verschuldigde bedrag niet overgemaakt.
De Hoge Raad gaf de vennootschap nog een tweede kans. Op 27 januari 2026 werd via het digitale dossier een bericht geplaatst met de vraag waarom het griffierecht niet was betaald. Tegelijkertijd ontving het door de vennootschap opgegeven e-mailadres een kennisgeving van dat bericht. Ook op deze uitnodiging om te reageren kwam geen reactie.
Dat stilzwijgen had grote gevolgen. Omdat de vennootschap het griffierecht niet had voldaan én geen verklaring had gegeven voor het uitblijven van de betaling, liet de wet de Hoge Raad geen andere keuze. Op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De zaak inhoudelijk beoordelen was daarmee niet meer aan de orde. De Hoge Raad zag evenmin aanleiding om de vennootschap in de proceskosten te veroordelen.
Betrokken advocaten
A.F.M.J. Verhoeven
eiser
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:HR:2026:92, Hoge Raad, 23-01-2026, 24/01836
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:HR:2026:108, Hoge Raad, 23-01-2026, 24/01946
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:HR:2025:1910, Hoge Raad, 12-12-2025, 25/02644
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
ECLI:NL:HR:2025:1908, Hoge Raad, 12-12-2025, 25/02636
Hoge Raad · Bestuursrecht; Belastingrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Instantie
Hoge RaadRechtsgebied
Bestuursrecht; BelastingrechtZaaknummer
25/04220
Procedure
Cassatie
ECLI
ECLI:NL:HR:2026:534