Juristi.nl
ECLI:NL:HR:2026:78Strafrecht

ECLI:NL:HR:2026:78, Hoge Raad, 20-01-2026, 23/04893 — HR:2026:78

Samenvatting

Witwassen van geldbedragen, art. 420bis.1.b Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklachten gebruik van geldbedragen en opzet. Kon hof oordelen dat sprake is van “witwassen” a.b.i. art. 420bis Sr? 2. Vordering benadeelde partijen, rechtstreekse schade. Kunnen door beleggers ingelegde gelden als rechtstreekse schade worden aangemerkt? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Uit bewijsvoering blijkt niet dat verdachte de als salaris aan haar betaalde geldbedragen vervolgens heeft aangewend om aankopen te doen. Dit leidt evenwel niet tot cassatie, omdat hof niet “en heeft gebruikt” heeft bewezenverklaard maar “en/of heeft gebruikt”. Verder doet weglating van “en/of heeft gebruikt” uit bewezenverklaring niet af aan aard of ernst van feit en blijft ook kwalificatie ongewijzigd. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:793 m.b.t. rechtstreekse schade en schade die voor vergoeding aan b.p. in aanmerking komt. Hof heeft bewezenverklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan witwassen van € 9.208,58, zijnde salaris dat verdachte heeft verdiend in tijd dat zij werkzaam was voor verschillende ondernemingen die werden gedreven door medeverdachten die zich binnen kader van die ondernemingen hebben schuldig gemaakt aan oplichting van investeerders. Drie van die investeerders hebben zich gevoegd als b.p.’s met vorderingen tegen verdachte. Hof heeft vorderingen van die b.p.’s toegewezen tot bedrag van in totaal € 59.830, waarbij het telkens heeft overwogen dat sprake is van “zodanig nauw verband tussen witwasgedragingen van verdachte en oplichting die daaraan ten grondslag heeft gelegen en benadeelde ertoe heeft gebracht obligaties te kopen, dat kan worden vastgesteld dat door verdachte gepleegd witwassen rechtstreeks door b.p. geleden schade heeft veroorzaakt.” ‘s Hofs daarin kennelijk besloten liggende oordeel dat verdachte overeenkomstig regels van materieel burgerlijk recht aansprakelijk is voor schade die deze b.p.’s hebben geleden a.g.v. onrechtmatige gedragingen van verdachte, is niet z.m. begrijpelijk. V.zv. hof heeft geoordeeld dat bewezenverklaarde witwasgedragingen van verdachte op zichzelf al onrechtmatig waren jegens deze b.p.’s, is dat oordeel niet toereikend gemotiveerd, nu uit ’s hofs vaststellingen en overwegingen geen verband naar voren komt tussen het door verdachte witgewassen geldbedrag en door deze b.p.’s geïnvesteerde gelden. Voor het aannemen van dit verband volstaat niet dat verdachte werkzaam was voor bepaalde ondernemingen en ermee bekend was dat zij werd betaald met door bedrogen investeerders in die ondernemingen geïnvesteerde gelden. Ook anderszins is niet gebleken dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld jegens deze b.p.’s. Dat brengt mee dat in zoverre ook oplegging van de in art. 36f.1 Sr voorziene maatregelen niet in stand kan blijven (vgl. HR:2019:901). Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. beslissingen op vorderingen b.p.’s en oplegging schadevergoedingsmaatregelen. CAG: anders t.a.v. vorderingen b.p.’s. Samenhang met 23/04826, 23/04870, 23/04938 en 23/04940.

Betrokken rechters

Gerelateerde uitspraken

Gegevens

Datum uitspraak

20 januari 2026

Instantie

Hoge Raad

Rechtsgebied

Strafrecht

Zaaknummer

23/04893

Procedure

Cassatie

ECLI

ECLI:NL:HR:2026:78

Bekijk op rechtspraak.nl