Oud-minister Sint Maarten veroordeeld voor ambtelijke corruptie — OGEAM:2026:42
ambtelijke corruptie / passieve omkoping / misbruik van functie
Eiser / verzoeker
Openbaar Ministerie Sint Maarten
Verweerder / gedaagde
Verdachte (voormalig minister van VROMI)
Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf en vier jaar ontzetting uit passief kiesrecht en ambtelijk beroep, met gedeeltelijke vrijspraak voor feiten 1, 2 en 3.
- Ne bis in idem-verweer verworpen: verdachte was in eerder onderzoek Begonia nooit daadwerkelijk vervolgd en de feiten verschilden
- Gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid OM wegens verjaring: gedragingen vóór 10 mei 2017 kunnen niet meer worden vervolgd
- Vrijspraak voor aannemen hotelkamer als gift bij bouwvergunning wegens onvoldoende bewijs en ontbreken getuigenverklaringen
- Vrijspraak voor steekpenningen project ondanks verdachte geldstroom (cheque van NAf 23.500 drie dagen na overheidsbetaling) wegens onvoldoende causaal verband
- Veroordeling voor overige bewezen geachte feiten van misbruik van functie en ambtelijke corruptie
Samenvatting
Een voormalig minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening, Milieu en Infrastructuur (VROMI) van Sint Maarten is veroordeeld wegens ambtelijke corruptie. Het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten deed op 26 maart 2026 uitspraak in een complexe strafzaak die draaide om het aannemen van steekpenningen en misbruik van overheidsfuncties bij de verlening van bouwvergunningen en de gunning van overheidsopdrachten.
De zaak, bekend als onderzoek Jasmine, richtte zich op meerdere vermeende feiten van passieve ambtelijke omkoping. Het Openbaar Ministerie eiste een gevangenisstraf van 36 maanden en ontzetting uit het passieve kiesrecht voor zes jaar. De verdediging probeerde de zaak in eerste instantie van tafel te krijgen via een beroep op het ne bis in idem-beginsel: de stelling dat de verdachte niet twee keer voor dezelfde feiten berecht mag worden, vanwege een eerder onderzoek genaamd Begonia. Het Gerecht verwierp dit verweer, omdat de verdachte in het eerdere onderzoek nooit daadwerkelijk was vervolgd en de feiten in beide zaken bovendien van elkaar verschilden.
Wel constateerde het Gerecht ambtshalve dat een deel van de tenlastegelegde feiten was verjaard. Omdat de huiszoeking bij de verdachte plaatsvond op 10 mei 2023, zijn gedragingen van vóór 10 mei 2017 niet meer vervolgbaar. Het Openbaar Ministerie werd voor dat deel niet-ontvankelijk verklaard.
Voor twee onderdelen van de aanklacht sprak het Gerecht de verdachte vrij. Zo kon niet worden bewezen dat hij een hotelkamer had geaccepteerd als gift in ruil voor het begunstigen van een bouwvergunningaanvraag. WhatsApp-berichten die het OM als bewijs aandroeg, legden onvoldoende verband tussen de kamer en de betrokken bouwvergunning. Daarbij speelde mee dat cruciale getuigen — onder wie mogelijke sleutelfiguren — nooit door de politie waren gehoord.
Ook voor feit 3 volgde vrijspraak. De verdachte werd ervan verdacht steekpenningen te hebben ontvangen van de eigenaar van een aannemersbedrijf in ruil voor de gunning van een overheidsproject. Uit bankafschriften bleek dat drie dagen nadat de overheid een bedrag van ruim 34.000 Antilliaanse gulden aan het bedrijf had betaald, een cheque van 23.500 gulden werd uitgeschreven op naam van de verdachte en door hem persoonlijk werd geïnd. Het project vertoonde bovendien meerdere procedurele onregelmatigheden: er waren geen offertes aangevraagd, het werk was al uitgevoerd voordat goedkeuring was verleend, en een ambtenaar had schriftelijk geweigerd het advies te ondertekenen vanwege deze gebreken. Toch achtte het Gerecht het bewijs voor omkoping in dit specifieke geval onvoldoende om tot een veroordeling te komen.
De veroordeling betrof de overige feiten op de tenlastelegging, waaronder vormen van misbruik van functie en ambtelijke corruptie die wel wettig en overtuigend bewezen werden geacht. Het Gerecht legde de verdachte uiteindelijk een gevangenisstraf op van 24 maanden, alsmede ontzetting uit het passieve kiesrecht en het recht om een ambtelijk beroep uit te oefenen voor de duur van vier jaar.
Betrokken advocaten
niet vermeld
verdachte
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:OGEAM:2025:113, Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, 11-10-2025, 100.00302-25 en 100.00211-25
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten · Strafrecht
ECLI:NL:OGEAM:2025:114, Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, 11-09-2025, 100.00292-25
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten · Strafrecht
ECLI:NL:OGEAM:2025:112, Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, 11-09-2025, 100.00258-25
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten · Strafrecht
ECLI:NL:OGEAM:2025:5, Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, 08-01-2025, 100.00448-24
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten · Strafrecht
Gegevens
Datum uitspraak
26 maart 2026
Rechtsgebied
StrafrechtZaaknummer
100.00428/24
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:OGEAM:2026:42