Arubaanse ambtenaar krijgt alsnog waarnemingstoelage over drie jaar — ORBAACM:2026:27
ambtenarenrecht / waarnemingstoelage / terugwerkende kracht beleid
Eiser / verzoeker
Minister van Algemene Zaken, Cultuur, Milieu en Natuur (Aruba)
Verweerder / gedaagde
Ambtenaar werkzaam op het Hulpbestuurskantoor Santa Cruz
Het hoger beroep van de minister is verworpen en de uitspraak van het Gerecht — die het bezwaar van de ambtenaar gegrond verklaarde en recht geeft op een waarnemingstoelage over januari 2016 tot en met augustus 2019 — wordt bevestigd.
- Het beleid van maximaal drie jaar terugwerkende kracht bij toelagen is op zichzelf rechtmatig, maar vereist een individuele toets op bijzondere omstandigheden.
- De ambtenaar kan niet worden verweten dat zij geen jaarlijkse aanvragen indiende, nu de ministerraad in 2016 al had besloten haar per 1 januari 2016 te benoemen.
- De minister heeft voordeel gehad van de feitelijk verrichte werkzaamheden, wat strikte toepassing van het beleid onevenredig maakt.
- Precedentwerking is geen geldig argument om afwijking van beleid te weigeren; iedere zaak moet op eigen merites worden beoordeeld.
- De Raad adviseert de minister ambtshalve waarnemingstoelagen toe te kennen als benoeming met terugwerkende kracht niet mogelijk is.
Samenvatting
Een ambtenaar op het Hulpbestuurskantoor Santa Cruz in Aruba nam vanaf augustus 2014 de functie waar van chef van dat kantoor. In 2016 besloot de ministerraad haar per 1 januari 2016 in die functie te benoemen, maar door administratieve vertraging werd de formele benoeming pas op 23 augustus 2019 gerealiseerd. Voor de jaren 2014 en 2015 had ze al een waarnemingstoelage ontvangen, maar over de tussenliggende periode van januari 2016 tot en met augustus 2019 niet.
In september 2022 vroeg de ambtenaar alsnog een waarnemingstoelage aan over die periode. De minister wees het verzoek af met een beroep op het vaste beleid dat toelagen maximaal drie jaar met terugwerkende kracht worden toegekend, gerekend vanaf de aanvraagdatum. Omdat de aanvraag pas in 2022 was ingediend, viel de periode van 2016 tot 2019 daar grotendeels buiten.
Het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba oordeelde dat de minister in dit concrete geval niet onverkort aan dat beleid mocht vasthouden. De situatie was bijzonder: zowel de ambtenaar als de minister waren er steeds van uitgegaan dat de benoeming per 1 januari 2016 zou worden geëffectueerd. Dat de administratieve afhandeling vervolgens jaren op zich liet wachten, kon de ambtenaar niet worden aangerekend. Zij had de werkzaamheden als chef feitelijk uitgevoerd en de minister had daar voordeel van gehad. Het Gerecht verklaarde het bezwaar gegrond.
De minister ging in hoger beroep. Hij stelde dat er geen sprake was van een bijzonder geval dat afwijking van het beleid rechtvaardigde, en benadrukte de eigen verantwoordelijkheid van de ambtenaar: zij had zelf jaarlijks een aanvraag kunnen indienen. Ook wees hij op precedentwerking als argument om de lijn te handhaven.
De Raad van Beroep in Ambtenarenzaken verwierp die argumenten. Het beleid om maximaal drie jaar terugwerkende kracht te verlenen is op zichzelf niet onredelijk, maar de minister moet per geval beoordelen of bijzondere omstandigheden afwijking vereisen. Dat had de minister hier nagelaten. De stelling dat de ambtenaar wist dat ze jaarlijks een aanvraag moest indienen, werd niet onderbouwd geacht. De Raad benadrukte dat het logisch was dat de ambtenaar geen jaarlijkse aanvragen indiende: als de benoeming per 1 januari 2016 gewoon was doorgegaan, zoals de bedoeling was, had zij nooit waarnemingstoelagen hoeven aanvragen.
Over het precedentargument was de Raad kort: het feit dat de minister in dit geval van zijn beleid afwijkt, betekent niet automatisch dat hij dat in alle volgende gevallen ook moet doen. Dat hangt telkens af van de specifieke omstandigheden. De Raad voegde daar nog aan toe dat het de minister zou sieren om in vergelijkbare situaties — waarbij een ambtenaar een functie waarneemt in afwachting van een benoeming — ambtshalve een waarnemingstoelage toe te kennen als de benoeming niet met terugwerkende kracht kan worden gerealiseerd.
De Raad bevestigde de uitspraak van het Gerecht. Het hoger beroep van de minister slaagde niet, en de ambtenaar heeft recht op de waarnemingstoelage over de periode januari 2016 tot en met augustus 2019.
Betrokken advocaten
mr. V.M. Emerencia
appellant
mr. E. Duijneveld
geïntimeerde
Betrokken rechters
Gerelateerde uitspraken
ECLI:NL:OGAACMB:2026:2, Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 12-01-2026, AUA202500789
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba · Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
ECLI:NL:OGAACMB:2026:3, Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 12-01-2026, AUA202502007
Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba · Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
ECLI:NL:OGHACMB:2026:2, Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 07-01-2026, AUA2025H00100
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba · Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
ECLI:NL:ORBAACM:2025:36, Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, 03-12-2025, AUA2024H00211, AUA2025H00014, AUA2025H00015
Raad van Beroep in Ambtenarenzaken van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba · Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Gegevens
Datum uitspraak
27 maart 2026
Rechtsgebied
Bestuursrecht; AmbtenarenrechtZaaknummer
AUA2026H00003
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:ORBAACM:2026:27