Juristi.nl
ECLI:NL:PHR:2012:BY3238Bestuursrecht

ECLI:NL:PHR:2012:BY3238, Parket bij de Hoge Raad, 22-10-2012, 11/05101, 11/05151 en 11/05139 — PHR:2012:BY3238

Samenvatting

Besluit waarbij een aanslag in de zuiveringsheffing bedrijfsruimte is opgelegd. De gemachtigde van belanghebbende heeft bij brief beroep ingesteld tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar op het bezwaar. Bij haar uitspraak heeft de Rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens de omstandigheid dat de gronden van het beroep niet binnen de daartoe gestelde termijn alsnog zijn meegedeeld. In haar thans in cassatie bestreden uitspraak heeft de Rechtbank het daartegen gerichte verzet ongegrond verklaard. Daartoe heeft de Rechtbank onder meer overwogen dat de gemachtigde door vermelding van het faxnummer op zijn briefpapier heeft kenbaar gemaakt dat hij via deze weg te bereiken is. In cassatie voert belanghebbende onder meer aan dat de Rechtbank onder de gegeven omstandigheden de fax niet als communicatiemiddel mocht gebruiken voor het versturen van een processtuk als het onderhavige waarin gelegenheid wordt geboden tot herstel van het verzuim, bestaande in het niet aanvoeren van de gronden van het beroep. De Hoge Raad overweegt dat op grond van artikel 8:40a, lid 1, in verbinding met artikel 2:14, lid 1, van de Awb de bestuursrechter een bericht aan een partij of diens gemachtigde per fax kan verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is. Uit de wetsgeschiedenis van de laatstbedoelde bepaling volgt dat aan deze voorwaarde in beginsel is voldaan indien iemand in correspondentie zijn faxnummer opgeeft. (…) Artikel 8:37 van de Awb houdt de regel in dat de rechtbank processtukken verzendt bij brief. Daarbij is bovendien geregeld wanneer een stuk moet worden verzonden bij aangetekende brief of bij brief met ontvangstbevestiging, en wanneer bij gewone brief. De rechtbank kan echter bepalen dat hiervan wordt afgeweken. Indien een gerecht gebruik maakt van faxverkeer dient het er rekening mee te houden dat die wijze van communicatie van de geadresseerde vereist dat deze bijzondere maatregelen neemt om veilig te stellen dat een hem aldus toegezonden bericht dezelfde aandacht krijgt als hij gewoon is te geven aan bij hem bezorgde brieven, in het bijzonder brieven van gerechtelijke instanties. Dit brengt mee dat een gerecht een besluit om per fax een termijn te stellen voor herstel van een in potentie fataal verzuim, bekend dient te hebben gemaakt alvorens zich van een dergelijk communicatiemiddel te bedienen (vgl. HR 7 december 2007, LJN: BB9537). In het onderhavige geval heeft de griffier van de Rechtbank in het faxbericht aan de gemachtigde een eerste en tevens laatste termijn gesteld, waarna een vereenvoudigde afdoening is gevolgd als bedoeld in artikel 8:54 van de Awb. In artikel 2, lid 2, van de Procesregeling bestuursrecht 2010 (Stcrt. 2010, nr. 12031) hebben de rechtbanken bepaald dat toezending van die stukken aangetekend of met bericht van ontvangst of per fax kan geschieden. Daarmee heeft echter geen bekendmaking plaatsgevonden zoals vereist door het zojuist vermelde arrest van 7 december 2007. Het hiervoor vermelde artikel 2, lid 2, noemt slechts de mogelijkheid van het gebruik van de fax, evenwel zonder vermelding van een beslissing dat, en in welke (categorieën) gevallen daarvan gebruik zal worden gemaakt. Bij een zodanige mate van onzekerheid over het gebruik van de fax door de rechtbank kan van betrokkenen niet worden verlangd dat zij de hiervoor bedoelde bijzondere maatregelen nemen. Dat kan eerst van hen worden verlangd als de procesregeling van het gerecht inhoudt dat alle stukken, dan wel alle stukken van een categorie waartoe het onderhavige stuk behoort, in de regel of in alle gevallen per fax worden verzonden indien de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is (vgl. ABRS 12 april 2012, LJN: BW4068 en CRvB 21 december 2012, LJN: BY7511). Nu uit de uitspraak van de Rechtbank of de stukken van het geding niet blijkt dat de Rechtbank haar beslissing om van faxverkeer gebruik te maken anderszins aan de gemachtigde bekend had gemaakt, brengt het voorgaande mee dat zij aan het niet-naleven van een in het onderhavige faxbericht gestelde termijn, geen voor de geadresseerde nadelige gevolgen mocht verbinden. (…) Het verzet wordt gegrond verklaard.

Gegevens

Datum uitspraak

22 oktober 2012

Rechtsgebied

Bestuursrecht

Zaaknummer

11/05101, 11/05151 en 11/05139

ECLI

ECLI:NL:PHR:2012:BY3238

Bekijk op rechtspraak.nl

Recente uitspraken

PHR:2021:1262
Parket bij de Hoge Raad·7 december 2021
Bestuursrecht
PHR:2014:2252
Parket bij de Hoge Raad·2 december 2014
Bestuursrecht
PHR:2013:883
Parket bij de Hoge Raad·10 september 2013
Bestuursrecht
PHR:2011:BQ5099
Parket bij de Hoge Raad·2 september 2011
Bestuursrecht
PHR:2011:BP3044
Parket bij de Hoge Raad·1 april 2011
Bestuursrecht